In de donkere dagen tussen Sinterklaas en Valentijn is er één licht dat nooit uitgaat: dat van het winkelcentrum. In de over tien weken uitgesmeerde feestmaand worden liefde, vrede en verbondenheid toch het liefst verzilverd in zoveel mogelijk aankopen. Het succes hiervan verzekert de jaaromzet van het gros van de winkelaangelegenheden die, achter de vrolijke kerstverlichting, een verbeten concurrentiestrijd voeren om elke klant. Het ruimtelijk kader – of beter gezegd: de shopping experience – is een belangrijk wapen in die strijd, met een directe impact op de stad en de publieke ruimte tot gevolg.

Sinds de burgerij aan het begin van de 19de eeuw steeds meer macht en aanzien kreeg en dat ook in consumptie kon uitdrukken, ontstonden de eerste overdekte winkelgalerijen en later de grands magasins. De flaneur ruilde de chaotische drukte van de boulevard in voor de luxueuze geborgenheid van het winkelcentrum, en vervelde zo tot consument. De semipublieke ruimte werd een feit. Na de Tweede Wereldoorlog schoten, naar Amerikaans model, ook in Europa shoppingcenters als paddenstoelen uit de grond. Maar de consument is grillig en de concurrentie bikkelhard. Dat maakt dat de typologie van het shoppingcenter een wel erg beperkte houdbaarheidstermijn heeft. Een winkelcentrum zoals Gent Zuid blijkt 25 jaar na de oplevering een logge dinosaurus, een achterhaalde stedenbouwkundige miskleun. En dus wordt er naarstig bijgebouwd.