Met de titel van de 19de architectuurbiënnale in Venetië, ‘Intelligens, natural, artificial, collective’, benadrukt curator Carlo Ratti het belang van de interactie tussen verschillende vormen van intelligentie. Centraal in de biënnale staat de aanpak van de klimaatcrisis waarin Ratti aan de architectuur een centrale rol toekent: “in the time of adaptation, architecture is at the center and must lead with optimism”. Hoewel de boodschap vaak verloren gaat in een kluwen van overvloedige data, herhalingen en gimmicks, biedt de biënnale ook momenten van inspiratie, schoonheid en confrontatie.
In 1980 toonde de eerste architectuurbiënnale, ‘La presenza del passato’, de intussen iconisch geworden strada novissima. Paolo Portoghesi nodigde twintig vooraanstaande architecten uit om een façade voor een nieuwe straat te ontwerpen in de voor het eerst als tentoonstellingsruimte ingerichte Corderie dell’Arsenale. Lea-Catherine Szacka argumenteert in Oase 88 dat de tentoonstelling een duidelijk politiek statement maakte met “een return to traditional city planning and to the use of basic urban elements fostering sociability”. Erg interessant is het contrast met de analyse die Johan Van Dessel in A+ 67 maakte van deze “zuil- en frontonhandelaars” die “kriskras met elkaar worden vermengd ter bevordering van de grote nieuwe antimodernistische mode”. Van Dessel bekritiseert dat thema’s zoals het verval van historische binnensteden, “buurtbewegingen, met hun nog altijd belangrijke sociale uitlopers, en de huisvestingsmoeilijkheden van de derde wereld” niet aan bod kwamen.
De tijd dat een curator enkele tientallen architecten uitnodigde om samen een installatie te maken, en dat de biënnale enkel tussen de lijnen door een politieke boodschap uitdroeg, is voorbij. In deze editie koos Carlo Ratti voor een bottom-up-aanpak die, gebaseerd op een open oproep, leidde tot “a more inclusive authorship model” en een ‘selectie’ van 750 ontwerpers, en bijna 300 projecten. Nu het centrale paviljoen in de Giardini gesloten is voor renovatie, kreeg de volledige tentoonstelling onderdak in de Corderie dell’Arsenale. Door het bos de bomen zien, wordt erg complex door de overvloed aan geselecteerde projecten en de schijnbare horror vacui van de curator.
Do the robot
De negentiende editie kan opnieuw rekenen op de gebruikelijke aanwezigheid van sterarchitecten (en oud-biënnalecuratoren, Pritzker- en nobelprijswinnaars, aldus Ratti). Ook de nodige gimmicks zijn present (iemand zin in een waterfietsrit vanop een door Norman Foster en Porsche ontwikkeld ponton, een dansje met een robot of een met kanaalwater gezette espresso?). Toch hamert ‘Intelligens’ vooral (herhaaldelijk) op de maatschappelijke opgave om de klimaatcrisis aan te pakken. Deze crisis, de ene keer benoemd als complex dan weer als gelaagd, hybride of meervoudig, kan volgens Ratti het hoofd geboden worden door architectuur te koppelen aan natuurlijke en artificiële intelligentie. In de woorden van Ratti:“an invitation to experiment with intelligence beyond today’s limited focus on AI and digital technologies, and demonstrate how we can adapt to the world of tomorrow with confidence and optimism”. De robots in de Arsenale-tentoonstelling lijken dat statement slechts haperend en hakkelend te beamen, en de her en der opduikende bomen (ontworteld, verzaagd of in bloempotten) versterken het beeld dat de tentoonstelling de connectie tussen de verschillende vormen van intelligentie moeilijk weet waar te maken.
“Walk the walk”
De drang naar dataverzameling, “it’s a chain reaction, it is an experiment in uniting different voices and forms of intelligence”, doet soms denken aan het utopisch vroeg-twintigste-eeuwse experiment van het mundaneaum waarin Paul Otlet en Henri La Fontaine kennis uit alle disciplines en werelddelen wilden samenbrengen om tot het ultieme inzicht te komen van de menselijke leefomgeving. Biedt deze biënnale (tussen holle slogans zoals “it is not enough to talk the talk: we must walk the walk”) interessante inzichten in de stand van de architectuur en de uitdagingen voor de toekomst? Zeker, maar het is wat zoeken tussen de datasets, 3D-printers, trommelende robots en de stroom aan door AI niet erg accuraat samengevatte tentoonstellingsteksten. Waar samenwerkingen, mensen en maakprocessen in beeld komen, weet deze editie van de biënnale te raken en aan te zetten tot reflectie. In verschillende landenpaviljoenen (zowel in Giardini als in Arsenale) worden de dwingende maatschappelijke vragen en menselijke noden diepgaander geanalyseerd. De centrale vraag van de curator om de huidige crises vanuit een lokaal perspectief te beantwoorden, leidt tot terugkerende thema’s zoals de wisselwerking tussen architectuur en natuurlijke intelligentie, het (her)gebruik van lokale crafts en materialen, het creëren van ontmoetingsplaatsen en de omgang met dreiging en verwoesting.
Microklimaat
In het paviljoen van Kosovo verbeeldt Erzë Dinarama, in een strakke scenografie van Irina Bogdan, de veranderende seizoenen met een geurinstallatie gebaseerd op de ervaringen van landbouwers (absent snow, new hail, late frost…). In het Belgisch paviljoen onderzoeken Bureau Bas Smets, Stefano Mancuso en Universiteit Gent in opdracht van het Vlaams Architectuurinstituut hoe de natuurlijke intelligentie van planten kan worden ingezet om een binnenklimaat te produceren. Building Biospheres vormt het Belgisch paviljoen voor een half jaar om tot een prototype waar een uit meer dan 200 planten samengesteld, constant gemonitord microklimaat de verhouding tussen mens, natuur en architectuur uitdaagt. Vier ontwerpteams – Elmēs, Panta, Maud Gerard Goossens en Henri Uijtterhaegen, en Lisa Mandelartz Schenk en Steven Schenk – onderzoeken hoe bestaande en nieuwe gebouwen natuurlijke intelligentie kunnen integreren in een nieuwe benadering van architectuur. De curatoren stellen met dit experiment ook onze fixatie op een constant binnenklimaat aan de kaak. Het isoleren van (individuele en collectieve) woningen staat immers hoog op de politieke agenda, wat het Estse paviljoen zeer treffend verbeeldt. Architecten Keiti Lige, Elina Liiva en Helena Männa pakten de gevel van een palazzo langs de kade vlakbij de Giardini in met isolatiepanelen als kritiek op de aanpak van de renovatie van collectieve huisvesting in Estland.
Vakmanschap en inclusie
De sterke nadruk op lokale materialen en technieken, en het hergebruik van gebouwelementen is niet verrassend. Het terugkerende thema wordt op verschillende manieren uitgewerkt: in het Spaanse paviljoen brengen Roi Salgueiro en Manuel Bouzas een klassieke, maar sterk opgebouwde en esthetische tentoonstelling over lokale materialen en vakmanschap; Denemarken grijpt de renovatie van het eigen paviljoen door Soren Philmann aan om de werf en de ontgonnen materialen in te zetten als scenografie én narratief; en in het Finse paviljoen toont Vokal Projekt met een video-installatie hoe het kwetsbare houten paviljoen van Alvar en Elissa Aalto nauwgezet gerestaureerd werd. De focus op het eigen paviljoen leidt ook tot vragen over inclusie in de architectuursector. In het Zwitserse paviljoen onderzoeken de curatoren met een 1:1-installatie een alternatieve werkelijkheid: wat als niet Giacometti, maar zijn tijdgenote Lisbeth Sachs een tentoonstellingspaviljoen dat ze in 1958 ontwierp in de Giardini had gebouwd? De vraag naar een inclusieve sector wordt in het iconische Nordic pavilion van Sverre Fehn door Kaisa Karvinen beantwoord met een mix van architectuur, installatie en performance waarin het translichaam een centrale rol krijgt.
Confrontaties
De klimaatcrisis wordt sterk benadrukt in deze editie van de biënnale (zoals ook in het paviljoen van Bahrein dat de Gouden Leeuw won), maar de geopolitieke conflicten die een belangrijk deel uitmaken van de ‘multiple crises’ waarin we ons bevinden, komen slechts sporadisch aan bod. Het Russische en het Israëlische paviljoen zijn om voor de hand liggende redenen gesloten, maar het voelt toch wrang aan dat in de werveling van openingsfeesten, bezoeken van hoogwaardigheidsbekleders en van veel Spritz voorziene boekvoorstellingen, je slechts af en toe geconfronteerd wordt met de oorlogen die in verschillende van de deelnemende landen een dagelijkse realiteit vormen. In het Oekraïense paviljoen krijgt een onderzoek naar de heropbouw van historische daken een sterke politieke betekenis in de context van de schijnbaar eindeloze oorlog: “DAKH: vernacular hardcore blurs the boundary between wartime and postwar reconstruction – highlighting that the process of repair has no choice but to begin while devastation and danger continues to linger”. Het Poolse paviljoen benadert het gevoel van (on)veiligheid op een ontwapenende manier: ‘Lares and Penates’ onderzoekt speels hoe architectuur onze angsten kan verlichten (een brandblusser in een schrijn, een ingekaderde elektriciteitskast). Echt confronterend wordt het in het paviljoen van Libanon, dat door CAL (Collective for Architecture Lebanon) omgevormd werd tot het fictieve “Ministry of Land Intelligens”. Het toont, ondanks het feit dat een van de curatoren een week voor de opening omkwam tijdens een Israëlische drone-aanval, een installatie die focust op de weerbaarheid van het belegerde landschap. Het Letse paviljoen, gecureerd en ontworpen door Nomad architects en Liene Jākobsone en haar Belgische partner Manten Devriendt, brengt de dreiging langs de Russische grens krachtig in beeld door de impact te tonen op de lokale bevolking, en tegelijk vragen te stellen over het ontwerpen van ‘landscapes of defence’.
Deze confrontaties doen de vraag rijzen naar de rol en de betekenis van de biënnale zelf. Door het telkens herhalen van stilaan uitgeholde begrippen als ‘allesbeheersende, complexe crisis’, en de ‘optimistische’ (en soms ongenuanceerde) antwoorden, dreigt de echte urgentie soms verloren te gaan. Hoe kan een biënnale een kritisch instrument zijn, hoe sterk moet de link met architectuur zijn, en welke positie neemt ze in ten opzichte van de samenleving?
Lea-Catherine Szacka, “The 1980 Architecture Biennale: The Street as a Spatial and Representational Curating Device”, Oase 88, 14-25; 19.
Johan Van Dessel, “Echo’s: La Biennale di Venezia”, A+67, november/december 1980, 61.
Idem.