Als er één bouwwerk is dat het idee van flexibiliteit heeft omarmd, dan is het wel het Centre Pompidou in Parijs. Aanvankelijk was die flexibiliteit bedoeld om een platform te bieden aan alle kunsten en hun onderlinge ontmoetingen. Nu het gebouw aan renovatie toe is, rijst de vraag hoe we op dit begrip moeten terugkijken. Heeft het de behoeften van het centrum kunnen vervullen zonder te verzanden in een generieke of overgedimensioneerde architectuur? Is het vandaag nog steeds relevant en hoe leeft het voort in het project van morgen?

Zondag 26 oktober, vijf uur ’s ochtends. Nu de laatste feestvierders het Centre Pompidou hebben verlaten, onder de klanken van de muziek van Sébastien Tellier en de schittering van de discobal, sluit het museum de deuren voor een renovatie die vijf jaar zal duren. De iconische gekleurde buizen en de doorzichtige rups gaan in de mottenballen en verdwijnen tijdelijk uit het culturele leven van Parijs. Dat biedt ons de kans om dit architectonische icoon opnieuw te bevragen, in het licht van wat het was en van wat het moet worden.