De negenkoppige redactieraad van het 16e jaarboek architectuur Vlaanderen, een uitgave van het VAi, gaf architecten de oproep om projecten voor te dragen met een duidelijke wenk. Onder het motto ‘Antwoorden in verantwoordelijkheid’ verzocht het de inzenders om ‘inzichtelijk te maken hoe het project (…) kritisch omgaat met sociale en milieucrisissen, hoe het navigeert tussen regelgeving, ecologisch engagement, bouwconventies en economische beperkingen’. De redactie was ook nieuwsgierig naar ‘projecten die typische relaties bevragen tussen klanten, ontwerpers, bouwers, materiaalleveranciers, omwonenden en niet-menselijke organismen’.
De selectie van 42 projecten die ze maakte uit de ca. 300 inzendingen is navenant. Ze schreeuwt zelden de handtekening van de architect uit, maar gaat wel steevast secuur om met de context en een veel ruimere kring stakeholders dan enkel de opdrachtgever. Dat leidde ook tot soms opmerkelijke processen. ‘Caring architecture’, heet Sofie De Caigny dat in de inleiding tot het boek. De elf essays die deze keuze kaderen worstelen echter met de vraag wie de architect nog is en waarvoor hij verantwoordelijk is.
Al selecteerde het architectuurboek 42 projecten, het verdeelde die wel in een A- en een B-categorie. De A-categorie krijgt een aparte bespreking op de wijze van het Nederlandse Jaarboek architectuur: een korte tekst zonder auteursvermelding, enkele zwart/wit foto’s en plannen, sneden en gevels op een kleine schaal. De B-categorie komt enkel met foto’s, de meest essentiële data en zeer summier planmateriaal aan bod in de essays. Dat onderscheid wordt echter nergens toegelicht. Fijn is wel dat Vai zes fotografen op pad stuurde om alle geselecteerde projecten te documenteren. Die uitbundige fotoreeks documenteert vaak eerder het gebruik van het gebouw dan de architectuur als object. Dat klopt ook met het motto van het boek.
Over de verantwoordelijkheid van de architect in dat motto gaan meerdere essays. Het meest scherpzinnige is dat van Carlo Menon: hij stelt dat de architect steeds meer een redacteur van omstandigheden en processen is geworden, en steeds minder een auteur. Wat Hülya Ertas in het slotessay – terecht – niet belet om ontwerpers toch op te roepen om een beetje meer te durven.
Dat is nog iets anders dan de oude gedachte van de architect als een heldhaftige figuur in dienst van het goede, het schone en het nuttige. Die schemert door in de inleiding van Sofie De Caigny en Dennis Pohl: ‘Caring architecture neemt op het hoogste niveau verantwoordelijkheid op voor de zorg voor de planeet en laat dat zien tot in de kleinste details’. Els Nulens doet daar in haar essay een schepje bovenop: ‘De complexiteit van de ruimtelijke opgaven en architectuur is vandaag groot. Dat houdt verband met onder meer klimaatadaptatie, duurzame energie, regelgeving, verstedelijking en ruimtelijke verrommeling, betaalbaarheid en toegankelijkheid. Om ruimtelijke kwaliteit, schoonheid en rechtvaardigheid te bekomen, is een samenspel nodig dat alleen bereikt kan worden als alle partijen hun krachten bundelen’.
Ontwerpers hebben echter weinig vat op het gros van de issues die Nulens aanstipt, al was het maar omdat de hand over hand toenemende regelgeving en juridisering van de bouwpraktijk hen dat belet. In het essay ‘Woningbouw voorbij de tabel’ noemen Petrus Kemme en Sofie De Caigny op dat punt man en paard. Ze stellen vast dat de woningbouw geen verbindende en rechtvaardige omgeving biedt doordat het speelveld van de woonontwikkeling verdeeld is tussen drie partijen. Ontwikkelaars, sociale bouwmaatschappijen en alternatieve formules als co-housing trekken zich, elk om hun redenen, terug binnen de eigen enclave. Ondanks veel hoopgevende projecten zijn er volgens hen ‘bomen met diepere wortels nodig om een duurzame woonvisie in Vlaanderen en Brussel te verankeren’. De overheid heeft daartoe de hefbomen in handen met een instrument als gebiedsontwikkeling, op voorwaarde dat het Gewest zijn verkokerde beleidsaanpak verlaat.
Dennis Pohl geeft architecten die het voorbeeld willen geven door circulair te bouwen dan weer een veeg uit de pan in zijn essay Ecologieën die ertoe doen. Hij begrijpt hun streven maar denkt dat ze op grotere schaal, en voorbij de technische aanpak van circulair bouwen moeten denken om tegen de dominante technocratische (en extrativistische) aanpak van de ecologische crisis gewicht in de schaal te werpen. Het essay ‘Genereuze scherpte’ van Saar Meganckis in dit boek het enige dat aan de hand van vijf goed gekozen ontwerpen – drie basisscholen en twee woonprojecten – precies en zonder hoogdravende woorden uitlegt op welk vlak en op welke wijze de architect ook zonder zo’ n al te zware agenda wél verantwoordelijkheid kan nemen om bij te dragen aan een betere wereld.
De donkere noot in het boek zijn de essays van Evelien Pieters als Vjera Sleutel. Ze tonen, aan de hand van een tientallen onthutsende diagrammen aan dat architecten het niet goed doen als het aankomt op de zorg voor diversiteit, de positie van vrouwen of de verloning van medewerkers. Het zakelijk model van architecten blijkt al te vaak niet te kloppen. Dat is zeker een gevolg van het feit dat architectenkantoren volgens de EU bedrijven zijn, en dus moeten concurreren zonder het vangnet van de minimumtarieven die de Orde vroeger voorzag. Binnen een sterke wedstrijdcultuur heeft dit geleid tot een race to the bottom. Die wantoestanden blijven echter bestaan doordat architecten een maatschappelijke rol als publieke intellectueel en/of bewaker van de kwaliteit van de omgeving toegedicht wordt en ook zichzelf toedichten. Het gevolg is, zoals Reyner Banham 50 jaar geleden al stelde, dat architecten extreem veel verantwoordelijkheid nemen (of opgedrongen krijgen). Een consultant zou die nooit opnemen zonder navenante verloning. Dat zadelt ‘verantwoordelijke’ architecten structureel op met een werklast die niet in verhouding staat tot hun ereloon. Medewerkers zijn daarvan de dupe. Als architecten antwoorden in verantwoordelijkheid zou dat het eerste vertrekpunt moeten zijn.
Architectuurboek Vlaanderen N°16. Antwoorden in verantwoordelijkheid, Vlaams Architectuur Instituut, 2024. ISBN 978-9-492-56734-5.