Bij een architectuurwedstrijd stelt de bouwheer een aantal documenten op, waaronder een gedetailleerd programma van de behoeften. Het beschrijft de beoogde gebruiksdoeleinden voor de bewoners, bezoekers of gebruikers van het gebouw. Het geeft een opsomming van de verschillende ruimtes, de oppervlakte in vierkante meter van elke ruimte en hun onderlinge relatie ervan. Om te vermijden dat een project vertraging oploopt – wat er op zijn beurt voor kan zorgen dat subsidies of politieke beslissingen worden gemist – wordt het opgestelde programma meestal niet in vraag gesteld. Om die reden wordt doorgaans met gestandaardiseerde programma’s gewerkt. Hoe kunnen we die top-downaanpak vermijden en een project verwezenlijken dat lokaal verankerd is en beantwoordt aan de verwachtingen van de bewoners en gebruikers?
Pas bij een bezoek aan Hôtel Pasteur maakte ik kennis met het principe van ‘experimenteren met het gebruik’ door en voor burgers. Dit gebouw in het hart van Rennes huisvestte oorspronkelijk de Faculteit Wetenschappen van de universiteit. Toen die verhuisde, werd het gebouw de thuisbasis van de richting Tandheelkunde. In 2014 bezette dit departement alleen nog de begane grond, waardoor meer dan zesduizend vierkante meter al bijna tien jaar leegstond. In die tijd richtte architect Patrick Bouchain een verzoek tot het stadsbestuur van Rennes. Hij wilde een experimentele ‘stadsfabriek’ rond burgersolidariteit opstarten en zocht hiervoor een geschikte ruimte. Het stadsbestuur van Rennes bood hem het Hôtel Pasteur aan als concreet ankerpunt om aan zijn reflectie en experiment te werken.