Sanatorium Tombeek

SVR-Architects
gepubliceerd op 11.04.2018 | tekst Pieter T'jonck collectief wonen
© Steven Massart

© Steven Massart

Recent heropende het voormalige sanatorium in Tombeek na bijna 30 jaar leegstand de deuren als rust­ en verzorgingstehuis (RVT). Hoewel het in 1993 als monument erkend werd, behoudt de renovatie vooral het karakteristieke totaalbeeld vanaf de inrit. De subtielere aspecten van het project gingen echter deels teloor. ‘Het is een nieuwbouw, op het oorspronkelijke betonskelet na’, stelt Philippe Van Goethem van SVR­Architects. Een reconstructie van een bewogen bouwdossier.

Het sanatorium Joseph Lemaire in Tombeek, Overijse opent op 21 september 1937 de deuren. De nog jonge Maxime Brunfaut (°1909) tekent voor het ontwerp van dit pronkstuk van de socialistische coöperatieve verzekeringsmaatschappij Prévoyance Sociale. Het gebouw wordt snel erkend als modernistisch meesterwerk. Het is inderdaad de evenknie van de sanatoria in Hilversum van Duiker en Bijvoet of in het Finse Paimio van Alvar Aalto, die recent – anders dan Tombeek – tot in het kleinste detail gerestaureerd werden.

Toestand resp.1937. © Claire Vivre

Toestand resp.1937. © Claire Vivre

Het sanatorium doet niet lang dienst als sanatorium. In de jaren 1960 wordt het, naar plannen van Brunfaut zelf, al verbouwd tot hospitaal en rusthuis, met ingrijpende gevolgen voor het dakterras. In 1987 wordt ook die activiteit gestaakt, waardoor het gebouw leeg komt te staan. De PS draagt het, in ruil voor uitstaande schulden, voor een symbolische frank over aan het Brussels bouwbedrijf Herpain. Dat ziet het iconische gebouw als een hoofdkwartier voor een internationaal bedrijf en/of luxelofts. 

Episode 1

Dat is zonder de waard, i.c. de gemeente Overijse, gerekend. Die wil niet dat een Franstalig bedrijf net op de rand van de taalgrens voet aan de grond krijgt. De gemeente heeft het recht aan haar kant: het terrein is op het gewestplan ingekleurd als zone van openbaar nut, niet als bedrijventerrein of woongebied. De gemeente snijdt Herpain na een eerste bouwaanvraag compleet de pas af door zich met succes in te zetten voor de klassering van het gebouw. Vanaf 1993 zit de zaak daardoor muurvast. Niet veel later leidt een brandoefening in het gebouw tot enorme schade. Vanaf dan verloedert het gebouw in hoog tempo. Bouwkundige fouten in het originele ontwerp zoals het onoordeelkundige gebruik van keramiek als gevelbekleding – een euvel van veel modernistische architectuur – zijn daar mee debet aan.

Philippe Van Goethem, zaakvoerder van SVR-Architects, raakt kort daarop betrokken bij het dossier. Hij weet in de archieven van AAM de hand te leggen op de oorspronkelijke plannen. Met ontwikkelaar Stevibis van de groep Ackermans & Van Haaren onderneemt hij vanaf eind 1995 diverse vruchteloze pogingen om het complex te herbestemmen voor kantoren of appartementen. Hij herinnert zich levendig hoe Karel Robyns van het agentschap Erfgoed geen voorstander was van ingrepen die de architecturale configuratie zouden aantasten. Hij had een punt. Dit gebouw ontleent zijn kracht minstens evenveel aan de ingenieuze planopbouw als aan zijn design. Maar die is zo dwingend dat het gebouw zich, in ongewijzigde vorm, voor weinig anders leent dan… een sanatorium. Hoe de zorg voor het monument dan te rijmen valt met herbestemming blijkt een heikele vraag. Ze zal blijven opspelen. 

Episode 2

Rond de eeuwwisseling steekt de vluchtelingenkwestie de kop op. Minister Johan Vande Lanotte ziet wel iets in een asielcentrum op deze locatie, ondanks de status van monument. Daarop belast de Regie der Gebouwen architectuurhistorica Pauline van Dijk, Ir. Architect Els Claessens en kunsthistoricus Jean-Marc Basyn met een inventarisatie en bouwhistorisch onderzoek. Dat resulteert in oktober 2001 in een omstandig rapport. Het brengt bijzondere details aan het licht, zoals de linoleum lambriseringen van de kamers, de glazen handgrepen van trappen of de Egypto-bekleding van het beton. Het asielcentrumplan wordt echter schielijk weer afgevoerd.

De studie maakt gebruik van een ruwe opmeting, gemaakt in opdracht van SVR-Architects1. Die brengt de wijzigingen na 1937 in kaart. Hoe onnauwkeurig ook, deze opmeting blijft jarenlang de onderlegger voor nieuwe ontwerpvoorstellen en zelfs voor het finale renovatieplan. Dat speelt in 2012, als de betonmolens al bijna draaien, behoorlijk op. 

Tussenpel

In 2005 ontdekken drie laatstejaarsscholieren van het atheneum in Leuven het gebouw. De broers Brecht en Sander Van Duppen en Greg Gosiau zijn onder de indruk. Ze dienen een kandidatuur in voor de Monumentenstrijd van VRT-zender Canvas. Herpain, nog steeds eigenaar, schuwt die publiciteit echter. Het gebouw komt zo niet in aanmerking voor de wedstrijd, maar Canvas wijdt er toch veel aandacht aan: het verhaal van deze scholieren is te mooi om links te laten liggen. De Van Duppens bijten zich vast in het dossier dat ze tot vandaag van dichtbij volgen. Met steun van diverse vrijwilligers en organisaties, waaronder het Sint-Lukasarchief, vzw Stad en Architectuur Leuven, Docomomo International en enkele van haar nationale werkgroepen, zetten ze vele acties, zoals bezoeken aan de site en een website, op. Tombeek staat zo vanaf 2007 weer volop in de aandacht.

De toestand is ook Gerard Depuydt al lang een doorn in het oog. Hij is hoofd projectontwikkeling bij NV Kumpen sinds 1995. Toen hij nog op 400 meter in vogelvlucht van het complex woonde, kreeg hij er via zijn buurman Matthieu Steensels, kraanman bij de bouw in ’36–’37, een emotionele band mee. Kennissen in de gemeente sporen hem ook aan om “iets te doen” nu het gebouw zo in de kijker staat. De gemeente aanvaardt alvast een herbestemming als RVT. Depuydt trekt naar de raad van bestuur van Kumpen en krijgt groen licht. Ook Van Goethem komt weer ten tonele: hij trekt Jan Kumpen mee over de streep. En ten slotte is Herpain nu toch bereid om te verkopen. Het gelegenheidsvehikel Tombeekheyde betaalt er in 2007 2,5 miljoen euro voor. Niet veel geld voor een gebouw van 20.000 m2 en een terrein van 38 ha. Alhoewel… 

Toestand resp.2008. © Docomomo

Toestand resp.2008. © Docomomo

Episode 3

Gerard Depuydt is van bij aanvang beducht voor de haalbaarheid van het project. Rentabiliteit combineren met de eisen van de agentschappen Onroerend Erfgoed, Natuur en Bos, en Zorg ligt niet voor de hand. Die partijen zitten nu mee aan tafel. En dan zijn er nog de nieuwe normen inzake brandbeveiliging, toegankelijkheid en thermische isolatie. Zeker die laatste twee vormen een probleem. Opdrachtgever Lemaire wilde in 1936 een gebouw dat één en al koude brug en tochtlek was, om de ontwikkeling van bacteriën tegen te gaan. Omdat het gebouw mikte op patiënten die nog goed ter been waren, zag Brunfaut van zijn kant de kans schoon om trappartijen in te zetten als scenografisch middel. Hij voorzag in het hele gebouw zelfs maar één lift, waar niet eens een ziekbed in paste. Dat valt niet als vanzelf te rijmen met de huidige voorschriften. (Overigens: Hilversum en Paimio vertonen exact dezelfde euvels.)

Erfgoedconsulent Inge Debacker volgt bij Erfgoed vanaf 2006 het dossier op. Het wordt haar vuurdoop. Veel van wat in het rapport uit 2001 als belangwekkend aangestipt werd, is onherroepelijk vernield. Dat maakt de onderhandelingen moeilijk. Uiteindelijk bedingt ze enkele rode lijnen. Ze hebben vooral betrekking op de zeer karakteristieke vormgeving. De gevel mag geisoleerd worden, maar moet terug met tegels bekleed worden. Het schrijnwerk mag vernieuwd, maar wel met staalprofielen. De terrassen aan de zuidzijde en de trappenhal moeten behouden blijven. De inkomhal en de centrale trappenhal worden gerestaureerd, de kleurstellingen in de gangen van de westelijke vleugel worden hernomen. Maar de indeling van de patiëntenkamers, met hun vernuftige opbergwanden en ventilatie sneuvelen. Ook de subtiele regie van de blik in het ontwerp van Brunfaut wordt, als een niet sluitend te definiëren aspect, sterk aangetast. De dakterrassen worden ingepalmd door extra appartementen.

Onder druk van Vulpia, een uitbater van RVT’s die in de loop van het proces het project overneemt, volgt ook de toelating voor een nieuwe aanbouw tegen de (minder zichtbare) oostvleugel van de patiëntenkamers. Zonder die aanbouw zou het gebouw immers niet te rentabiliseren zijn, beweert Vulpia.

Mogelijk waren er andere wegen om tot een rendabel ontwerp te komen, zoals een onafhankelijke aanbouw, maar hier ligt Natuur en Bos dwars, onder andere omwille van een Vogelrichtlijn. Een (noodzakelijke) brandweg laten ze, na overdracht van een deel van de gronden aan het agentschap, op de valreep toe. De moeilijkste klant is agentschap Zorg. Dat weigert Depuydts voorstel om drie oorspronkelijke kamers om te bouwen tot twee nieuwe, goed te keuren. Ze zijn namelijk net iets te klein volgens de zorgnorm. Op dat moment staat Kumpen met de rug tegen de muur. Het project wordt overgedragen aan Vulpia. Die moet immers, legt Depuydt uit, geen winst maken op de verkoop, omdat zijn rendement in de exploitatie ligt. Kumpen blijft wel aan boord als aannemer. 

Episode 4

Als alle knopen eind 2012 ontward zijn, volgt nog een tegenslag: de opmeting blijkt sterk af te wijken van de realiteit. Ernstige gebreken in het betonskelet, zoals verspringende kolommen en afwijkende vloerpeilen, komen aan het licht. Te elfder ure volgt een secure opmeting. Maar het maakt de op zich al complexe renovatie er niet eenvoudiger op. Na het hertekenen van alle plannen, is het project eind 2017 dan toch rond. Een lookalike van het origineel, als je vanuit de juiste hoek kijkt, maar op beslissende punten onherkenbaar veranderd. 

Een conclusie

Deze restauratie en herbestemming overtuigt niet. In vergelijking met een qua toegankelijkheid en bouwfysica even hopeloos gebouw als de Boekentoren in Gent is de intrinsieke architecturale waarde van het gebouw sterk aangetast. De terreinaanleg is ook zozo. Zelfs als ontwikkeling lijkt het project geen succes. Toch geven allen die we spraken nog steeds blijk van veel goede wil en inzet. Philippe Van Goethem onderstreept zelfs dat het dankzij de positieve instelling van Inge Debacker was dat er een oplossing uit de bus kwam. De reden van dit falen is dat het project water en vuur probeert te verzoenen, maar daar maar half in slaagt. Voor de ontwikkelaar(s) was haalbaarheid volgens marktconforme criteria van bouw, onderhoud en exploitatie een noodzaak. Vandaar o.a. de ongelukkige verdubbeling van de oostvleugel. Toegankelijkheid en brandveiligheid leidden tot meer discutabele ingrepen in de centrale circulatie. Desondanks werden veel opmerkelijke details van het gebouw, zoals de gevelbekleding of het schrijnwerk, zorgvuldig gereconstrueerd of hersteld.

In zijn originele vorm was het gebouw echter op alle niveaus, van planopbouw over technologie tot circulatie en detaillering de impliciete vertaling van een socialistisch mensen maatschappijbeeld. Tegelijk was het een intrigerende echokamer van zowel oude als nieuwe architecturale vormen en tropen. Dat samenspel maakte het tot meesterwerk. Dat ervaar je nog nauwelijks. De kracht van het werk werd hier gereduceerd tot opvallende details, in plaats van de architecturale geste in zijn geheel.

De vraag is of het anders kon. De dwingende opzet van Brunfaut bemoeilijkt, als gezegd, elke wijziging. Als men het gebouw zou bevriezen in zijn originele staat brengt dat de toekomst ervan echter ook in gevaar door onbeheersbare exploitatiekosten. Toch is een halfslachtige oplossing niet onvermijdelijk. De zonneterrassen op begane grond en dak gingen bijvoorbeeld deels teloor door de financiële druk om ruimte te ‘winnen’. Een ondergrondse uitbreiding had die financiële druk op het erfgoed alvast verminderd. Maar daar lag Natuur en Bos dwars. Zo was het met de vele beleidspartijen rond de tafel wel altijd iets. Anders gezegd: er werd geen afweging gemaakt. De ontwerpruimte was wat overbleef nadat al die partijen hun lijnen getrokken hadden. Erfgoed vormde hier, als bruggenbouwer, de enige uitzondering, en werd zo – helaas – ook het kind van de rekening.

Hoe anders was het niet gelopen als er vooraf een masterplan voor de site was opgemaakt. Zo’n masterplan weegt de eisenbundels van alle betrokken partijen en administraties over kleurtjes, vogeltjes en plantjes, k-waardes, brandvoorschriften, taalgrenzen, vierkante meters en euro’s vooraf tegen elkaar af, maar overstijgt ze ook, met de monumentale waarde als ijkpunt. Dat vereist een projectregisseur die boven partijen staat, zicht heeft op wat er technisch, economisch en wettelijk mogelijk is en zo nodig afwijkingen van wetten en reglementen afdwingt. Het is immers absurd om te eisen dat een oud gebouw aan alle regels van vandaag beantwoordt. Dan kan je meteen het Louvre afbreken. Zo’n masterplan en een projectregisseur die erop toezag, ontbraken hier. Het resultaat doet minder pijn aan de ogen dan aan het hart. 

201705_SVR_Tombeekheide_041-PANO

© Steven Massart

Barokke plechtstatigheid en moderne controle

Maxime Brunfaut vat het sanatorium Joseph Le­ maire op als een heuse machine à guérir2 voor tbc­lijders. Die ziekte treft vooral armen door slechte leefgewoonten en dito omstandigheden. De instelling biedt daarom niet alleen een kuur, maar legt de patiënten ook een strikt regime van regelmaat en discipline op. Dat vereist scherp toe­ zicht. Daarom wordt het gebouw niet opgevat als een verzameling paviljoenen – de gangbare manier om besmettingsrisico’s te beperken. Dit sanatori­ um is een compact blok, ruwweg in de vorm van een kruis. Een verkapt panopticon.

De lange vleugel, die ruwweg van oost naar west loopt, omvat drie etages met patiëntenkamers. Op begane grond en dak bevinden zich terrassen voor de openluchtkuur. De dwarse vleugel omvat alle diensten. Aan de (langere) noordzijde zijn dat voor­ al medische diensten, aan de zuidzijde een ontvang­ struimte en salle de jeux. Brunfauts ingenieuze plan regelt alle verkeer zo dat de kans op besmetting ondanks die compacte vorm minimaal blijft, en het toezicht maximaal. De oplossing voor de verticale en horizontale circulatie, op de kruising van de twee vleugels, is een heus huzarenstukje.

Het plan is echter meer dan functioneel slim. De indruk die het gebouw maakt op de arme dom­ pelaar die er na een steile oprit plots oog in oog mee staat, moet onvergetelijk zijn geweest. Het perspectief op het gebouw vanaf de helling is haast barok imposant door de complexe volumetrie, die op gespannen voet staat met het strenge basissche­ ma, en het strakke ritme van ramen en traveeën. Het gevelmateriaal, glanzende beige tegels, voegt daar een zweem modern mysterie aan toe. Na een wandeling langs de somptueuze terrassen, moet de plechtstatige decoratie van de inkomhal met haar toverachtige bovenlicht de nieuwkomers wellicht helemaal van hun sokken hebben geblazen.

Toch volgt nog een orgelpunt. Op het knooppunt van de dwars­ en langsvleugel creëert Brunfaut door subtiele verspringingen in hoogte en niveau tussen de vleugels een raadselachtig ingewikkeld, maar onverholen plechtig spektakel van trappen, lichten en zichten. Zo prent hij nieuwe patiënten bij elke verdere stap in het gebouw de boodschap in dat ze hier met de beste zorgen omringd zullen worden, mits zich te voegen naar de moraal van deze transparante, maar toch mysterieuze wereld.

Van die complexe regie van de blik blijft van­ daag voorbij de inkom, op details na, niets over. De somptueuze terrassen op de begane grond ervaar je aan de westzijde nog wel, maar aan de oostzij­ de is hun e ect verknoeid door de ondoordachte aanbouw en invulling. Van het spektakel achter de inkomhal blijft nagenoeg niets meer over. 


1 De studie vermeldt SVR als bron. Philippe Van Goethem beweert echter dat deze opmeting op vraag van bouwbedrijf Kumpen uitgevoerd werd. Gezien de chronologie lijkt dit onmogelijk. Mogelijk was er, voor de definitieve opmeting in 2012–2013 nog een andere opmeting zodra Kumpen bij het dossier betrokken was, en verwijst Van Goethem daarnaar. De andere gesprekspartners konden dit echter bevestigen noch ontkennen. 
2 Hilde Heynen, « Modernisme en socialisme. Twee handen op één buik », in Het Paleis op de Heide / Architect Maxime Brunfaut en het sanatorium van Tombeek, Johan Wambacq, Luc Verpoest, Hilde Heynen, Brussel, 2009. 
 
download pdf
SVR-Architects
Tombeek | 2018
A+270
pagina's 44-48

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

schrijf je in voor de nieuwsbrief