We zijn steeds meer gewend geraakt aan comfort. Ontwikkelingen op bouwtechnisch vlak laten toe dat het binnenklimaat het hele jaar door op een constante temperatuur blijft, de luchtkwaliteit optimaal is en er steeds voldoende natuurlijk of kunstmatig licht is om te werken. Via normen en regelgeving verzekeren we ons van dit comfort. De complexiteit van onze constructies, details en het aandeel technieken zijn de afgelopen decennia spectaculair toegenomen. De schaarste aan grondstoffen en de hoge energiekost dwingen ons om dit schijnbaar verworven recht in vraag te stellen of op zoek te gaan naar alternatieve strategieën.
Thermische inertie werd reeds in de 16de eeuw gebruikt om aan lokale stadslandbouw te kunnen doen. Fruitbomen werden tegen een muur met hoge thermische massa geplant. De muren absorberen warmte overdag die ’s nachts langzaam wordt vrijgegeven en zo vorstschade voorkomt. Door de fruitmuren dicht bij elkaar te bouwen, verbeterde het microklimaat: er kon nog meer warmte worden vastgehouden en er was een betere beschutting tegen de wind. Binnen de muren lagen de temperaturen 8 tot 12 graden hoger dan erbuiten. Een schitterend voorbeeld is Montreuil, een buitenwijk van Parijs, waar vanaf de zeventiende eeuw op basis van dit simpele principe tot 17 miljoen perziken per jaar werden geproduceerd, geroemd om hun kwaliteit.