Het crematorium dat door Office Kersten Geers David Van Severen en Richard Venlet in Oostende werd gebouwd, is het resultaat van een Open Oproep-procedure uit 2013. Het creëren van een plek voor een laatste afscheid of een laatste verblijfplaats is een uitdagende opdracht. De functionaliteit moet routine vermijden, zonder dat de architectuur op een pathetische manier de overhand krijgt.

Dat slechts een klein deel van de architectuur als kunst kan worden beschouwd – het graf en het monument – is een beroemde uitspraak van Adolf Loos die niet langer noodzakelijkerwijs geldig is. Misschien kan architectuur in het licht van de dood juist niet als kunst worden beschouwd – omdat het geen persoonlijke uitdrukking is, geen vertoon van identiteit en eigenheid, en evenmin een vrijgeleide voor sociale of andere ervaringen. “Dying / Is an art, like everything else”, schreef Sylvia Plath in de bundel Ariel, maar sterven is ook de enige “kunst” die we allemaal delen, die niet gecommercialiseerd wordt en zelden aanleiding geeft tot discussies op sociale media, in columns of talkshows. Als architectuur het laatste bastion van de metafysica is, zoals Jacques Derrida in 1985 beweerde, dan is dat bastion veertig jaar later zo sterk uitgedund dat het letterlijk verlaten is. Om de metafysica opnieuw aan de orde te stellen – en om te voorkomen dat architectuur wordt beschouwd als de zoveelste uiterst individuele, subjectieve en twijfelachtige activiteit – moet architectuur zich bezighouden met de dood.