De 20ste-eeuwse moderne architectuur vertoont op het eerste gezicht weinig affiniteit met het cirkelvormige grondplan. Dat is opmerkelijk te noemen, omdat een van de grote historiografen van de moderne architectuur, Emile Kaufman, juist in het werk van revolutionaire Franse architecten als Claude Nicolas Ledoux en Étienne-Louis Boullée de basis zag voor een nieuwe, op autonomie gebaseerde moderne traditie. De cirkel is geen onschuldige figuur in het werk van deze 18de-eeuwse architecten. Nog meer dan andere krachtige geometrische figuren (vierkant, piramide of bolvorm) roept hij tegelijkertijd radicaliteit, monumentaliteit en gelijkheid op.
Als cirkelvormige grondplannen al de kop opsteken in de 20ste-eeuwse architectuur, is dat veelal in het werk van ontwerpers in de marge van de moderne beweging, zoals bijvoorbeeld Gunnar Asplund, wiens ontwerp voor de bibliotheek van Stockholm als het hoogtepunt wordt gezien van diens neoclassicisme uit de jaren 1920. Bij anderen wordt de cirkelvorm om structurele redenen geïntroduceerd, zoals vaak het geval is in het werk van de Italiaanse ingenieur Pier Luigi Nervi (met name in zijn sportpaleizen), of maakt die tegelijkertijd een erg compact samenbrengen van een programma onder een parapluvormig dak mogelijk, zoals het geval is in het Dymaxion House van Buckminster Fuller. Fuller bouwde in 1967 ook de Biosphere in Montreal, maar al bij al blijven cirkel- of bolvormige gebouwen in de 20ste eeuw eerder zeldzaam. Tot de 19de eeuw werden kerken opgetrokken volgens een kruisvormig grondplan met een koepelvormige bekroning, of – naar het beeld van het pantheon in Rome – daadwerkelijk met een cirkelvormig grondplan. Tijdens de 20ste eeuw verdwijnt de cirkelvorm onder de radar, naar een lager niveau in de planopbouw: een lokale cilindrische afronding zoals in het werk van Le Corbusier, en in zijn kielzog in het werk van talloze modernisten met Streamline-esthetiek, of, later, een bank rond een kolom of een nis in een muur, zoals her en der in het werk van Aldo van Eyck.