‘Urban mining’, ’stedelijke mijnen’: in de literatuur over hergebruik en – breder – de circulaire economie, wordt volop uit de woordenschat van de mijnbouw geput. De uitdrukking ‘urban mining’ wordt toegeschreven aan Jane Jacobs, die in de jaren 1960 voorspelde dat steden de ‘mijnen van de toekomst’ zouden worden. Sindsdien wordt de term veel gebruikt. Maar de analogie tussen mijnen en gebouwen heeft haar grenzen en mag gerust ter discussie worden gesteld. Tot welke conclusies dwingt ze ons? Dat gebouwen bodems zijn die zonder enige voorzorg kunnen worden uitgegraven, zolang de operatie maar economisch rendabel blijft? Of dat sociale uitbuiting of mensonwaardige werkomstandigheden gerechtvaardigd zijn, zolang er maar materialen als natuursteen worden hergebruikt? Of misschien dat we de enorme voorraden vooral moeten gebruiken om de productiviteit en winst van de bouwindustrie te verhogen? Waarschijnlijk geen van bovenstaande. Toch is het betreurenswaardig om vast te stellen dat zoveel spelers in de sector van het hergebruik de woordenschat van de mijnbouwindustrie overnemen.
Hoe kunnen we beweren dat we strijden tegen extractivisme of de massale uitbuiting van de biosfeer, als we het als beeld blijven gebruiken? Kunnen we gebouwen niet beter begrijpen als de tijdelijke gastheren van de materialen die er verblijven? Zou het niet beter zijn om wie aan hergebruik doet te beschouwen als een gids die materialen van de ene plek naar de andere begeleidt, totdat ze op hun rechtmatige plaats terechtkomen? Als iemand die materialen redt van de stort om ze hun waardigheid terug te geven? Waar we ook voor kiezen, we moeten andere woorden gebruiken en andere beelden oproepen. Want als we te veel uit de woordenschat van het extractivisme putten, dreigt hergebruik de grote verliezer te worden. Hergebruik mag niet worden gereduceerd tot de exploitatie en opwaardering van latente hulpbronnen. Ondanks alle pogingen om er het hulpje van de bouwindustrie van te maken, is de waarde van hergebruik niet instrumenteel maar politiek en ethisch. Als de praktijk boven de productieve toepassingen van architectuur staat, is