Voor mij is collectieve woningbouw een boeiend programma, juist omdat het op de scherpst mogelijke manier de rol en de positie van de architect ter discussie stelt. Welke autoriteit en legitimiteit heeft hij om vorm te geven aan de dagelijkse, intieme leefomgeving van mensen die hij niet kent (de opeenvolgende toekomstige bewoners) en die hij tijdens het ontwerpproces niet kan ontmoeten of raadplegen? Hoe kan de architect genereus zijn zonder dat hij zijn ontwerp specifiek op de eindgebruiker kan afstemmen? Hoe doet hij dat zonder generiek te worden of te vervallen in een gestandaardiseerde oplossing? Voor mij is elk woningbouwproject op de een of andere manier een zoektocht om die uitdaging aan te gaan en een antwoord te formuleren op deze prikkelende vragen. Flexibiliteit is daar één van.
Een flexibel ontwerp maken betekent allerminst dat het ontwerp standaard of generiek moet zijn. Integendeel. Een generieke plattegrond prikkelt de bewoner niet; het brengt niets bij hem teweeg. Een specifieke (en flexibele) ruimte daarentegen opent mogelijkheden en stelt de bewoners in staat om los te komen van vooraf vastgelegde modellen en zo van hun woning een eigen project te maken. Dat is de vruchtbare paradox van flexibele architectuur: deze geeft bewoners de vrijheid om te reageren
op de door de architect ontworpen ruimte en er een eigen interpretatie aan te geven.