‘A Good City has Industry.’ (‘Een gezonde stad is een productieve stad.’) Met deze ietwat boude bewering pleitte Architecture Workroom Brussels (AWB) op de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR) in 2016 ervoor om de maakindustrie terug naar de stad te halen. In de late 20ste eeuw waren de meeste productieve activiteiten immers verbannen naar bedrijventerreinen buiten de stadsring, waar ze geen hinder veroorzaakten. Dat vertrek naar de periferie bleek echter zo’n ruimteverslindende strategie – met veel verharding, vervuiling en onnodig fileleed tot gevolg – dat planners, ontwerpers en overheden rond 2010 een pleidooi gingen voeren om deze bedrijvigheid weer een plaats te geven in de stad, gemengd met wonen en andere stedelijke functies.

Brussel was hierin koploper. In 2013 werd het bestemmingsplan uitgebreid met een nieuwe gebiedscategorie ‘ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving’ (OGSO), een compromis om te voldoen aan de behoefte aan zowel huisvesting als economische activiteiten in de stad. Maar het verweven van productieactiviteiten en andere functies is nog steeds en telkens opnieuw een evenwichtsoefening. De productieve invulling eindigt vaak in een enkele koffiebar, supermarkt of fietsherstelplaats. In het verdienmodel van de ontwikkelaar neemt het wonen vaak de overhand. Enkel op gelijkvloerse verdiepingen krijgen andere functies een plek, maar deze blijven lang leegstaan, en in realiteit wordt vaak alleen de ondergrondse parkeerplaats gedeeld.