Waar zijn de schrijvende architecten gebleven? Wie voert het architectuurdiscours? Krijgen architecten nog de kans teksten te publiceren die hun eigen oeuvre overstijgen en zo bij te dragen aan het doorlopende debat over wat architectuur nu eigenlijk is? Of wordt architectuurtheorie alleen nog gevoed door onder publicatiedruk bezwijkende academici die vaak nooit gebouwd hebben? En is dat wel een probleem? Hilde Heynen vraagt het zich af in een inleidende tekst rond het thema dis-cours, of de vraag naar het architectuurdiscours dat uit de pen vloeit van bouwende architecten. Vijf architecten – Paul Vermeulen, ROTOR als collectief, Pierre Hebbelinck, Kersten Geers en Dirk Somers – geven hierop een antwoord. Het thema wordt afgesloten met de heruitgave van een vlammend manifest tegen “de verwoesting van de traditionele Europese stad” van Maurice Culot en Léon Krier uit 1978. De tekst, afkomstig uit de tentoonstelling die op dit moment loopt in het CIVA, herinnert ons aan de radicale stedenbouwkundige veranderingen in het naoorlogse Brussel waarin het architectuurdiscours opnieuw opleefde en waardevol patrimonium wist te redden van de toen heersende kaalslag.

Dis-cours is het thema waarmee Pieter T’Jonck zijn hoofdredacteurschap afsluit. Hij maakte twaalf nummers waarin hij met passie en gedrevenheid steeds opnieuw aantoonde dat architectuur een maatschappelijk gegeven is. Hij gaf A+ zijn huidige structuur en kritische toon en bewees door sociaal geëngageerde en diepgaande artikels op het vlak van architectuur en stedenbouw eens te meer dat een architectuurtijdschrift meer is dan een compilatie van fotogenieke projecten. Hij legde de link met hedendaagse kunst en nodigde voor elk nummer een fotograaf uit voor een foto-essay dat conceptueel aansloot bij het thema van het nummer. Uit naam van het hele team wil ik hem hier bedanken voor de inspiratie die hij op de redactie heeft binnengebracht.