In de grote Belgische steden resten nog talloze sporen van 19de-eeuwse industrieën pal tussen woningen. De leefomstandigheden waren er vaak penibel. Begrijpelijk dus dat het beleid na WO II wonen en werken wilde scheiden. De slinger sloeg echter helemaal door: industrie werd verbannen naar bedrijventerreinen ver buiten de bebouwde kom. Vooral in Vlaanderen liggen ze als confetti verspreid over het landschap. Elke gemeente stopte er immers geld in, want industrie bracht inkomsten en tewerkstelling mee. De roep om het tij weer te keren, om de industrie terug de stad in te lokken en te vermengen met wonen klinkt steeds luider. Daar zijn goede redenen voor: het bevordert klimaatbestendigheid, biodiversiteit, stedelijke diversiteit en tewerkstelling en remt het verkeersinfarct af. Brussel was koploper, maar ook Kortrijk en Gent experimenteren met de gedachte.

De spreiding van de industrie leek, net als de suburbanisatie van het wonen, een oplossing voor het belabberde stedelijke milieu. Het is echter, net als die suburbanisatie, een ruimteverslindende strategie, met collateral damage zoals een overbelast netwerk van wegen en (te) dure nutsvoorzieningen. De overmatige verharding die er het gevolg van is richt ook klimaat- en milieuschade aan. Circulair of duurzaam is het ook al zelden: industriezones bestaan vooral uit wegwerparchitectuur: gebouwen die voor slechts één doel geschikt zijn. Dat gold zelden voor 19de-eeuwse fabrieken, die dankzij hun solide structuur vandaag gretig tot lofts verbouwd worden.