‘Flexibiliteit’: wie het onderwerp onder architecten aansnijdt, wordt al snel geconfronteerd met een rijke maar verwarrende woordenschat. Spreken we over flexibiliteit, of eerder over aanpasbaarheid? Of over multifunctionaliteit? Of draait het juist om omkeerbaarheid? En wat met modulariteit? Is dat alles uiteindelijk wel of niet verbonden met prefabricatie?

In werkelijkheid verwijzen al deze termen naar verschillende visies op flexibiliteit en staan ze in een hiërarchische verhouding tot elkaar. Ze kunnen betrekking hebben op meerdere ruimtelijke schalen en zich gelijktijdig of afzonderlijk voordoen, in heel uiteenlopende tijdritmes. Het boek Flexible Housing1 van Jeremy Till en Tatjana Schneider biedt daarbij een goede houvast. Het verheldert de mogelijke definities en varianten van het begrip ‘flexibiliteit’ binnen de architectuur, en in het bijzonder binnen de woningbouw, waar het concept een vruchtbare bodem vond. Tegenwoordig is de term weer bijzonder actueel, als een beloftevol antwoord op de te snelle en onhoudbare veroudering van ons gebouwde erfgoed. 1 Jeremy Till en Tatjana Schneider, Flexible housing, Elsevier, Oxford, 2007.

Anne Démians (brevet déposé avec ICADE / IDI, Immeuble à destination indéterminée), Black Swans, Strasbourg (FR), 2019
Anne Démians (brevet déposé avec ICADE / IDI, Immeuble à destination indéterminée), Black Swans, Strasbourg (FR), 2019

Maar waarover spreken we precies? Till en Schneider omschrijven flexibiliteit in de woningbouw als het vermogen van een gebouw om zich aan te passen aan veranderende behoeften en contexten – voor, tijdens en na de bewoning. Voor hen is aanpasbaarheid trouwens een aanvaardbaar synoniem. Stewart Brand gaat in zijn opmerkelijke How buildings learn 2 dezelfde richting op, als hij het heeft over ‘scenario-buffered building’: een gebouw dat bestand is tegen alle denkbare scenario’s. Met een vleugje ironie benadrukt hij dat de aanpasbaarheid van gebouwen vaak niet door de architecten is bedacht, maar is ontstaan door de dwingende aard van lokale bijzonderheden: ‘Bijna geen enkel gebouw past zich goed aan. Alles is erop gericht dat ze zich niet zouden aanpassen: het ontwerp, de financiering, de bouw, het beheer, het onderhoud, de regelgeving, de belastingen, zelfs de verbouwingen. En toch, hoe gebrekkig ook, passen gebouwen zich altijd aan, omdat het gebruik erin en eromheen voortdurend verandert.’ 3 Maar iedereen is het erover eens dat flexibiliteit vooral draait om het integreren van het begrip ‘tijd’ in het ontwerp, een lastige opgave in een discipline die gebouwen doorgaans als statisch beschouwt en presenteert. 2 Stewart Brand, How buildings learn. What happens after they’re built. Penguin books, 1994. 3 Ibid., p. 2

Toch moet er binnen deze definities een onderscheid worden gemaakt. Binnen het woud van termen waarin onze immer converserende architecten plegen te verdwalen, tekenen zich enerzijds strategieën af, zoals multifunctionaliteit en omkeerbaarheid, en anderzijds instrumenten, zoals modulariteit en prefabricatie. Omdat het concept wijdvertakt is, ligt deze classificatie niet vast, maar verandert ze naargelang de schaal waarop flexibiliteit wordt nagestreefd: een volledig gebouw, meerdere wooneenheden of een aantal kamers onderling. Wie de kiemen van een toekomstige aanpasbaarheid wil leggen, moet van meet af aan anticiperen en met een heldere blik typologische, vormelijke en constructieve keuzes maken.

Goffart-Polomé – Reservoir A – Meta, SWCS, Charleroi, 2025
Goffart-Polomé – Reservoir A – Meta, SWCS, Charleroi, 2025

Hardware en software

Een eerste ontwerpstrategie om flexibiliteit in een (nieuw) woongebouw te realiseren, bestaat erin in een gebouwschil te voorzien die latere transformaties van de ruimtelijke structuur en/of de wooneenheden mogelijk maakt. Deze strategie speelt zich af op de schaal van het gebouw en hangt rechtstreeks samen met fundamentele vragen inzake de algemene geometrie en bouwprincipes. Welke overspanning moet een gebouw hebben? Hoe hoog moeten de plafonds zijn? Welke structurele articulatie is wenselijk? Welk type gebouwschil? Hoe moeten de verticale en horizontale technische leidingen worden ingepast? En voor welke bestemming en welke toekomstige programma’s?

Bruno Taut, Hufeisensiedlung, Berlin (DE), 1933
Bruno Taut, Hufeisensiedlung, Berlin (DE), 1933

De Franse architect Anne Démians probeerde een universeel antwoord te formuleren op deze vraagstukken met wat zij het IDI noemt: het ‘Immeuble à Destination Indéterminée’, een gebouw met een onbepaalde bestemming. Het IDI is een superstructuur die zowel collectieve woningen, kantoren als een hotel kan huisvesten, omdat de structurele en technische articulatie op alle bovenvermelde ontwerpvragen is afgestemd. Deze benadering veronderstelt een conceptuele scheiding tussen wat je de ‘hardware’ en de ‘software’ van een gebouw zou kunnen noemen. De hardware heeft betrekking op de ruimtelijke en structurele voorstellen, die vooraf worden bestudeerd, zodat de software, die omkeerbaar is, van plaats kan veranderen.

Elemental, Quinta Monroy, Iquique, Chili, 2003
Elemental, Quinta Monroy, Iquique, Chili, 2003

Deze reflecties over hardware en software herinneren aan La Mémé, het legendarische project van Simone en Lucien Kroll in Sint-Lambrechts-Woluwe (Brussel) uit de jaren 1970. De studenten die er gingen wonen, werden uitgenodigd om de wanden te verschuiven, die speciaal waren ontworpen om los van de draagstructuur en volledig omkeerbaar te worden verplaatst. Hoewel dit in de praktijk slechts gedeeltelijk bleek te werken, weerspiegelt dit voorbeeld op bredere schaal een tijdperk van innovatiedrang – die tot op heden nog steeds doorwerkt – waarin het idee ontstond dat de ‘superstructuur’ (of hardware) en de ‘op­­vulelementen’ (of software) voor verschillende levensduren konden worden ontworpen.

John Hejduk, Plan for Texas House 7, 1953-1963, John Hejduk fonds Collection Centre Canadien d’Architecture © CCA
John Hejduk, Plan for Texas House 7, 1953-1963, John Hejduk fonds Collection Centre Canadien d’Architecture © CCA

Een recent voorbeeld illustreert dit concept van omkeerbaarheid op kleinere schaal: het SWCS-gebouw in Charleroi van Goffart-Polomé – Reservoir A – Meta. De architecten kozen voor een structurele articulatie met weinig beperkingen (vrij plan met kolom-balkstructuur) en een generieke gevel die zich leent voor uiteenlopende configuraties en indelingen. De dienstruimtes (circulatiezones en sanitaire voorzieningen) zijn samengebracht en/of naar de rand van het vrije plateau verplaatst.

In het IDI schuilt het gevaar van een universeel, bijna magisch antwoord, dat echter blind blijft voor de lokale eigenheid van een project. Het contextuele ontwerp van Goffart-Polomé – Reservoir A – Meta laat zien dat het perfect mogelijk is om de hardware/software-benadering te integreren zonder te vervallen in een generieke architectuurformule.

Shigeru Ban, Nine Square Grid House, Hadano, Kanagawa, Japon, 1997
Shigeru Ban, Nine Square Grid House, Hadano, Kanagawa, Japon, 1997

Het OXO-principe in de architectuur

Een andere strategie, complementair aan de eerste, bestaat erin stabiele ruimtelijke configuraties te ontwerpen die zó zijn
gedimensioneerd en geordend dat ze binnen een gegeven ruimte en over een lange tijdspanne een flexibel gebruik mogelijk maken. Het zijn dan de ligging, afmetingen en verdeling van de kamers die maken dat functies kunnen wisselen en elkaar kunnen opvolgen. Lang voor architecten ermee gingen experimenteren, was deze logica al aanwezig in vernaculaire woonvormen, en in Brussel zien we haar in de rijhuizen, waarvan Gérald Ledent en Alessandro Porotto de bijna oneindige aanpasbaarheid hebben benadrukt in Brussels Housing. 4 In nieuwbouw vereist deze strategie het aanvaarden dat ruimtes in zekere zin onbepaald blijven, soms zelfs onafgewerkt, als de bewoners ze niet alleen moeten gebruiken, maar soms ook naar eigen inzicht moeten vervolledigen. Dit principe van de ‘invulbare ruimte’ zien we in een stabiele vorm bij Bruno Tauts Hufeisensiedlung (1933), waar elk vertrek een tappunt kreeg en zo van functie kon wisselen, en later ook in een onverwachtere gedaante in de beroemde Quinta Monroy (2003) van Elemental, die letterlijk toe-eigen­bare leegtes aanbiedt. 4 Gérald Ledent en Alessandro Porotto, Alessandro, Brussels Housing. Atlas of residential types, Birkhaüser, Basel, 2023.

Shigeru Ban, Nine Square Grid House, Hadano, Kanagawa, Japon, 1997
Shigeru Ban, Nine Square Grid House, Hadano, Kanagawa, Japon, 1997

In nog een andere vorm duikt dezelfde strategie op in talrijke experimenten rond het combineren van identieke vierkante kamers die van functie kunnen wisselen. We zien dit bij Andrea Palladio (Villa La Rotonda, 1571), Jean-Nicolas-Louis Durand (Précis de leçons d’architecture, 1802), recenter in de steeds terugkerende fascinatie voor het Nine Square Grid House van John Hejduk, bij Shigeru Ban, Pezo von Ellrichshausen, en in België bij Office Kersten Geers David Van Severen met hun iconische Villa Buggenhout (2012).

Office Kersten Geers David Van Severen, villa Van Buggenhout, 2010
Office Kersten Geers David Van Severen, villa Van Buggenhout, 2010

Een ander interessant voorbeeld komt uit Brussel, waar de architecten van Multiple, a2o en Koen Van Synghel hebben nagedacht over de transformatie van de Proximus-torens tot woningen. Ze onderzochten hoe ze de typische kantoorhardware konden omvormen tot woningtypologieën met generieke kamers (duidelijk geïnspireerd door Peris+Toral). Dit resulteerde in flexibele, compacte en kostenefficiënte appartementen (zonder gangen), waardoor ze al snel de bijnaam ‘Colruyt-woningen’ kregen. Het illustreert hoe varianten van het ‘OXO-principe’, of invulbare ruimtes, woningen voortbrengen die een zekere onbepaaldheid omarmen. Voor Till en Schneider zijn zulke configuraties, gebaseerd op een blijvende ruimtelijke structuur, het duurzaamst: ze laten niet alleen beslissingsruimte aan de bewoners, maar maken ook variaties mogelijk zonder dat er materiaal hoeft te worden verplaatst.

Multiple – a2o – Koen Van Singhel, Proposition de conception Proximus Towers, Bruxelles
Multiple – a2o – Koen Van Singhel, Proposition de conception Proximus Towers, Bruxelles

Nog recenter is het belang van dergelijke onbepaalde vormen ook vanuit feministische hoek benadrukt. Een van de stemmen die pleiten voor een genderbewuste benadering van wonen is het collectief Angela D. Dat stelde een praktische gids op waarin staat: ‘Modulariteit stelt woningen in staat zich aan te passen aan verschillende levensfasen en in het bijzonder aan veranderingen in de samenstelling van huishoudens: eenoudergezinnen, nieuw samengestelde gezinnen, alleenstaande vrouwen… Een woning flexibel maken betekent de bewoonsters zeggenschap geven over hun leefruimte en hun autonomie en onafhankelijkheid stimuleren. Een woonkamer kan een slaapkamer worden en omgekeerd.’ 5 Een zekere gelijkwaardigheid tussen de kamers en een defunctionalisering ervan maken het mogelijk om aan deze behoeften tegemoet te komen. 5 ‘Une approche féministe du logement : Guide pratique’, Projet d’habitat collectif, Angela.D in CALICO CAre and LIving in COmmunity, p. 50

Multiple – a2o – Koen Van Singhel, Proposition de conception Proximus Towers, Bruxelles
Multiple – a2o – Koen Van Singhel, Proposition de conception Proximus Towers, Bruxelles

De deur van Marcel D.

Flexibiliteit vond ook zijn weg naar het interieur via mobiele, verplaatsbare en draaibare elementen. De deur van Marcel Duchamp, die van de ene deuropening naar de andere moest worden verplaatst om de ruimte opnieuw in te delen, is een treffend voorbeeld. Hier ontstaat flexibiliteit door een architectonisch onderdeel fysiek te wijzigen – licht of ingrijpend, omkeerbaar of niet – of te verplaatsen. Deze aanpak, toegepast op een kleinere schaal, berust op een geloof in technische innovatie, een geloof dat het begin van de 20ste eeuw kenmerkte en samenging met de zoektocht naar de minimale woning: hoe kleiner de woning, hoe meer overlappende en verwisselbare functies nodig zijn. Dit leidde tot talloze experimenten met schuivende en draaiende wanden, verplaatsbaar meubilair en beweegbare vloeren. Paradoxaal genoeg resulteerde dit soms in een overmatige determinering van ruimtes. Ten tijde van die experimenten liet de stomme film The scarecrow 6 (1920) op hilarische wijze zien hoe snel zo’n levenswijze in een nachtmerrie kan veranderen. 6 The Scarecrow. Regie: Edward F. Cline/Buster Keaton. Acteurs: Buster Keaton, Joe Keaton. Metro Pictures, 1920.

Sophie Delhay, Bertrand Verney, Unité(s), Dijon (FR), 2018
Sophie Delhay, Bertrand Verney, Unité(s), Dijon (FR), 2018

Aan goede voorbeelden geen gebrek: van de mobiele wanden (type Zwitsers zakmes) van Gerrit Rietvelds Schröderhuis tot de appartementen van Steven Holl in Fukuoka, waar de Japanse Shoji-schuifpanelen een eigen interpretatie kregen. Zulke projecten laten zien dat flexibiliteit ook met eenvoudige, huiselijke middelen kan worden bereikt. Recenter zijn het innovatieve onderzoek van Sophie Delhay en de radicale experimenten van Juliane Greb + Summacumfemmer, die op een efficiënte manier generieke kamers combineren met grote schuifwanden. In hun projecten, Unité(s) en San Riemo, laten de configuraties zich soepel aanpassen, waardoor talloze sociaal-ruimtelijke patronen kunnen ontstaan.

Summacumfemmer – Büro Juliane Greb, San Riemo, Munich (DE), 2020
Summacumfemmer – Büro Juliane Greb, San Riemo, Munich (DE), 2020

Onze architecten zijn lang niet uitgepraat en zullen nog vele uren discussiëren over het concept ‘flexibiliteit’. De twijfel blijft. Waarom zijn de meeste aangehaalde voorbeelden prototypes of bouwwerken op papier, die zelden verder kwamen dan een eenmalige poging? Is flexibiliteit misschien een ‘architectenidee’? Sluit het concept werkelijk aan bij de wensen van bewoners, of blijft het een droom van specialisten? Wat in elk geval van cruciaal belang is – en tegelijkertijd de schoonheid van het concept vormt – is het opzoeken en omarmen van een gezonde dosis onzekerheid en nederigheid in de architectuur. Herman Hertzberger wees daar al op: ‘Flexibiliteit betekent het radicaal afwijzen van een vast en scherpomlijnd standpunt, omdat er nooit één oplossing is die boven alle andere uitsteekt. Een flexibel plan vertrekt vanuit de zekerheid dat de juiste oplossing niet bestaat, omdat het op te lossen probleem voortdurend verandert, en dus altijd tijdelijk is.’ 7 7 Herman Hertzberger, ‘Functionality, Flexibility and Polyvalence’, Lessons for Students in Architecture, 010 Publishers, 2005.

Summacumfemmer – Büro Juliane Greb, San Riemo, Munich (DE), 2020
Summacumfemmer – Büro Juliane Greb, San Riemo, Munich (DE), 2020

De overvloed aan termen die verband houden met flexibiliteit en de verwarring die ze veroorzaken, weerspiegelen de rijkdom van een concept dat de architectuurgeschiedenis doorkruist. Trouw aan zijn verleden van heroïsche maar op zichzelf staande experimenten lijkt het ‘flexibele wonen’ ook vandaag nog aan de architectonische horizon op te doemen en er weer achter te verdwijnen, een beetje zoals het monster van Loch Ness, een verre fantasie met sporadische verschijningen en een twijfelachtig bestaan.