Ik heb moeite met algemene stellingen. Zo ook met het adagium dat vakmanschap of ambacht in de architectuur over kleinschaligheid en detaillering zou gaan, en over het verkleinen – of het volledig opheffen zelfs – van de afstand tussen ontwerp en uitvoering. De tentoonstelling uit 2016 van het Vlaams Architectuurinstituut, Ensembles. Architectuur en ambacht met als ondertitel ‘De vakman en de architect als twee handen op één buik’, toonde projecten van architecten die op zoek waren gegaan naar vakmannen om samen goede architectuur te maken. Craftsmanship werd hier begrepen als de geromantiseerde samenwerking tussen architect en uitvoerder. Architectuur die zich dus manifesteert in de uitvoering (van het detail), en zo herleid wordt tot ‘kunstig handwerk of maatwerk’, in situ en vaak als unicum vervaardigd.
Uiteraard kan een hedendaags metselwerk, een complexe betonnen geometrie of een bijzondere houtverbinding geslaagd zijn als uniek experiment. Maar daar kan craftsmanship volgens mij niet alleen meer over gaan. In publieke opdrachten, die aan de hand van een openbare aanbesteding gerealiseerd worden, is het gewoonweg niet realistisch om op de werf complexe details te laten uitvoeren door een aannemer en uitvoerder die je als architect niet zelf hebt kunnen kiezen of op voorhand kent. Het wordt ook steeds moeilijker voor aannemers om goede werkmannen te vinden, waardoor de voorbereidingsfase, te beginnen bij de opmaak van het ontwerp en het aanbestedingsdossier door de architect, aan belang wint. In die zin zou je kunnen zeggen dat het craftsmanship verschuift, van de uitvoeringsfase naar de beginfase.