In een steeds versnellende samenleving is zich voortdurend aanpassen een van de grote overlevingsstrategieën geworden. Duurzaamheid laat zich voelen in benaderingen die om flexibiliteit draaien en rekening houden met een onzekere toekomst.
Hoewel architectuur een traag en niet bijzonder flexibel medium is – door de kost, logheid, grootte en manuren – is het een onderdeel van onze dagelijkse omgeving waarin dat aanpassingsvermogen zich extra laat gelden. Gebouwen vragen aanzienlijke investeringen op financieel, temporeel en materieel vlak en zijn dus (hopelijk) bedoeld om enige tijd mee te gaan en tegen enige veranderingen bestand te zijn. Bovendien is het renoveren van een bestaand gebouw en het aanpassen ervan aan nieuwe noden en hedendaagse normen vaak duurder dan nieuwbouw. Om duurzaam te zijn kan architectuur dus maar beter een antwoord bieden op deze kwesties en het vermogen om zich aan te passen in het ontwerp incorporeren. Het ‘flexibele ontwerp’ is dan ook een modewoord geworden, een woord dat zonder duidelijke betekenis wordt ingezet in wedstrijdinzendingen, projectvoorstellen, ontwikkelaarsreclames of aanprijzingen voor bepaalde gebouwen.