Sofie De Caigny, gastredacteur van dit A+-nummer, herinnerde zich een gesprek waarin ik had verklaard dat ik heel graag voor projectontwikkelaars wilde werken en dat dat moeite had gekost. Ik kon me dat gesprek wel herinneren. Ik had me geërgerd aan een kritiek op een nieuwe stadsontwikkeling – er stond een gebouw van ons – die weer maar eens marktconform was gegaan en het schrijnende tekort aan sociale of betaalbare woningen verder zou laten etteren. Om te beginnen was dat niet helemaal waar. Het stadsbestuur had de ontwikkelaar op de huid gezeten en grote percentages sociale en bescheiden woningen bedongen. Het centrale park sloot naadloos aan op de straten van de volksbuurt: je zou er heus niet alleen de nieuwe bewoners aantreffen. Die verdrongen ook niemand, ze kwamen er alleen maar bij. Niemands huis was gesloopt, alleen een bedrijf dat weinig gebouwen en veel bodemverontreiniging achterliet: dit stuk grond terugwinnen voor de stad zou wat kosten. Dat was natuurlijk de reden dat het stadsbestuur privaat kapitaal te hulp had geroepen. Dat de ruimere buurt gentrificatie zou ondergaan kon inderdaad niet worden uitgesloten. Maar de vorige majeure investering in die buurt, een gerechtsgebouw, had niet de voorspelde overrompeling van de woningmarkt door advocaten en magistraten teweeggebracht. Het kwam erop neer dat een inclusieve stad ook de middenklasse, die veelbezongen en oeverloos opgerekte groep, een plaats moest gunnen. Maatschappelijk waren ze het talrijkst, de stad kon niet zonder hen. De dilemma’s van gentrificatie door stadsherstel zijn in een West-Europese sociale welvaartsstaat niet zo onverbiddelijk als in het agressieve Angelsaksische kapitalistische systeem.

Wie aan de stad wilde werken moest projectontwikkelaars voor zich winnen. Maar wat hadden wij hun dan te bieden? We wisten meer dan de marktspecialisten die ze op hun loonlijsten hadden. We doorzagen hun stereotypen. De middenklasse die ze als hun klanten zagen, hadden we in opdrachten voor individuele woningen leren kennen, niet als een eenduidig marktprofiel, maar als een broeihaard van individuele verlangens en gevoeligheden. Hun woonwensen waren niet minder divers dan de geografie van de stad. Zulke verschillen – tussen mensen, tussen plekken – konden wij in stedelijke vormen gieten.