Al sinds het paleolithicum doet de architectuur een beroep op de structurele, functionele en decoratieve eigenschappen van textiel. Het articuleert en transformeert de ruimte door zijn textuur, transparantie of ondoorzichtigheid, door zijn kleuren, doorlaatbaar- of ondoordringbaarheid. Textiel wordt niet alleen praktisch gebruikt, maar doet ook dienst als ‘metafoor’ van de architectuur door de omhullende, verbindende, communicerende, isolerende en beschermende kwaliteiten ervan te benadrukken. Daarnaast is textiel ook een drager van symbolen, cultuur en emotie.

Textiel werd in de loop van de geschiedenis gewillig buiten beschouwing gelaten, maar trekt sinds kort volop de aandacht van theoretici en onderzoekers, kunstenaars en historici. Het is vandaag onderwerp van tal van onderzoeken, tentoonstellingen en publicaties.1 Bij de Federatie Wallonië-Brussel groeit de belangstelling voor textiel als onderdeel van de zogenaamde ‘percentageregel voor beeldende kunst’ bij publieke architectuuropdrachten. (Ter herinnering: het decreet van 10 mei 1984 voorziet in de integratie van een kunstwerk in openbare gebouwen of bij werken aan gebouwen. Het is ook van toepassing op privaatrechtelijke rechtspersonen wanneer ze een subsidie krijgen van de FWB voor de bouw of verbouwing van gebouwen. Het bedrag dat aan het werk wordt toegekend, wordt berekend op basis van 1% degressief van het bedrag van de opdracht voor werken, of 2% degressief van dit bedrag wanneer de FWB een subsidie toekent.) 1 Didem Ekici, Patricia Blessing, Basile Baudez, Textile in Architecture. From the Middle Ages to Modernism, Routledge, Oxon, 2023.