‘Inclusiviteit‘ is een buzzword. Je hoort het stilaan even vaak als ‘duurzaamheid’. Het heeft er ook iets mee gemeen: het is overheidsdiscours dat reageert op maatschappelijke veranderingen. De Verenigde Naties schoven duurzame ontwikkeling in 1987 naar voren als toekomstideaal na de instorting van de grote ideologieën van de 20ste eeuw. Het klonk mooi, maar bleef vaag genoeg om vele interpretaties toe te laten. Op dezelfde manier werd inclusiviteit in 2010 een doelstelling van de EU als reactie op groeiende ongelijkheid en claims van achtergestelde groepen. De definitie is even ruim, of vaag: ‘mensen die geconfronteerd worden met armoede en sociale uitsluiting moeten ondersteund worden om in waardigheid te leven en actief deel te nemen aan de samenleving’. Voor welke uitdagingen stelt dat architecten?

Antoine Printz betoogt in zijn essay The EU’s social and urban policies from the perspective of inclusion dat de roep om ‘inclusie’ een gevolg is van de ‘exclusie’ van mensen die niet in staat zijn om volwaardig deel te nemen aan de samenleving door pathologische desocialisatie of life risks. De lijst is lang: mensen met een verslavingsproblematiek, eenoudergezinnen, ongeschoolden, Roma enzovoort. De vraag hoe mensen in een positie van uitsluiting terechtkwamen, staat daarbij tussen haakjes. Het gaat erom hoe je ze toch waardig kunt inschakelen in de economie. Printz ontmaskert die strategie als Kurieren am Symptom: ze negeert de sociale oorzaken van exclusie.