Wat maakt een goed ontworpen ruimtelijke omgeving? Een waarbij de mogelijkheden van het ontwerpen en het bouwen, van de stadsaanleg of het infrastructureel ontwerp overtuigend aangewend worden voor de realisatie van de polis en zijn publieke idealen, èn waarbij de verzamelde architectuur-, landschaps- of infrastructuurprojecten ook blijk geven van een ‘bouwkunst’. Of als dat oude woord al meteen te veel weerstand oproept: blijk geven van een culturele praktijk van het bouwen. Die kan dan niet louter geëvalueerd worden in relatie tot de publieke (en private) doelen die ze dient, maar vraagt ook om het hoe binnen een cultureel veld van idealen, ijkpunten en appreciatiepatronen te wegen.

Kritisch werk dus voor collega-architecten, zou je kunnen denken, of voor andere architectuurexperten, maar zo eenvoudig is het gelukkig niet. Dat heeft ten eerste veel te maken met het feit dat de architectuurculturele appreciatie niet los te maken valt van de publiek-politieke, en ten tweede met het feit dat architectuur, noch in het verleden, noch vandaag, ooit helemaal binnen een eigen discipline met duidelijke contouren te vatten viel. De Russische poppen-architectuur van Ungers voor het Deutsches Architektur Museum in Frankfurt – met het archetypische witte huis ingeschoven in het historische stadspaleis, zelf ingekaderd door een nieuwe sokkelperimeter – kon veertig jaar geleden nog even voorhouden dat architectuur door zichzelf gevat kon worden, maar het is duidelijk dat dit geen denkmodel voor architectuurcultuur vandaag kan zijn.