In het vroeg-20ste-eeuwse Antwerpen zocht een nieuwe generatie architecten actief naar manieren om architecturale kwaliteit te waarborgen binnen een overwegend privaat bouwlandschap. Daarvoor verkenden ze uiteenlopende en vaak hybride rollen, gaande van architect-entrepreneur tot architect-promotor, en lieten ze de grenzen tussen ontwerp, commercie, regelgeving en maatschappelijke betrokkenheid vervagen. Een terugblik op de architectuurpraktijk van deze jonge garde laat een nieuw licht schijnen op de hedendaagse discussies rond het bouwen van een brede bouwcultuur en het bevorderen van ruimtelijke kwaliteit – niet alleen in het publieke, maar ook in het private domein.
De introductie van instellingen zoals het bouwmeesterschap en de verschillende bijbehorende wedstrijdvormen en instrumenten – zowel op federaal als op stadsniveau – werden de laatste decennia ‘lokaal en internationaal gepercipieerd als dé exponent van een florerende Baukultur’.1 Desalniettemin groeide recent ook het kritische inzicht dat de Belgische architectuur vooral een heropleving meemaakte onder de vleugels van sterk publiek opdrachtgeverschap – terwijl het gros van wat (privaat) wordt gebouwd buiten beeld blijft. Je kunt je de vraag stellen of er in deze omstandigheden wel sprake kan zijn van een breed ‘florerende Baukultur.’ De kwaliteitsmechanismen die in de publieke sector goed werken, kunnen bovendien niet zomaar worden overgenomen om het particuliere bouwen bij te sturen. Want hoezeer ook kan worden geopperd dat publieke wedstrijden ‘meer zijn dan een wedstrijd’, in de kern blijven ze gebaseerd op het idee dat ze kwaliteit afdwingen door architecten met elkaar in competitie te brengen. Het ontwerpteam dat er aan de hand van de meest wervende conceptstudie in slaagt om de ‘droom van de opdrachtgever het meest te overtreffen’2 wint meestal de opdracht. Al bij al bevestigt de openbare wedstrijdcultuur de positie van de architect als een soort liberale kunstenaar die werk vanuit de autonomie van de ontwerpstudio, in de hoop dat het geleverde ontwerpwerk ook daadwerkelijk een plek mag krijgen in de buitenwereld. Kwaliteit wordt gegarandeerd door keuze te genereren – en vaak is de maatschappelijke waarde van al het geleverde werk veel groter dan wat er economisch tegenover staat.3 1 Maarten Van den Driessche, ‘Het omcirkelen van een lege plaats: “bouwheer” worden, kwaliteit verwachten’, in: Maarten Liefooghe en Maarten Van den Driessche (red.), Meer dan een wedstrijd: De Open Oproep in een veranderende bouwcultuur (Brussel: VAi en Team Vlaams Bouwmeester, 2021), 55. 2 Naar een citaat uit het afscheidsinterview met bOb Van Reeth, ‘Afscheid van Vlaams Bouwmeester bOb Van Reeth,’ in Een Bouwmeester bouwt niet: 1999-2005, ed. Jan De Zutter (Brussel: Vlaams Bouwmeester, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 2005), 31. 3 Peggy Deamer and Kane Rendell, eds., Architecture and Labor (Abingdon: Routledge, 2020).