Van ontwikkelaars wordt vaak beweerd dat ze alleen in geld zijn geïnteresseerd. Kwaliteit – wat dat woord dan ook betekent – zou bijzaak zijn. Ze moeten echter wel op de centen letten, want ze lopen soms enorme risico’s en geldschieters – doorgaans banken – happen maar toe als een (zeer) hoge return on investment gegarandeerd is. Ontwikkelaars zweren daarom bij het gezegde dat bij een project drie zaken van belang zijn: de locatie, de locatie en de locatie. Inderdaad: als een buurt aantrekkelijk is, stijgen de prijzen, en omgekeerd. Precies op dat punt lopen hun belangen gelijk met die van steden met een sterke visie op stadsontwikkeling. Stadsontwikkeling leidt er vaak toe dat locaties waar niemand een cent om gaf enorm gewild (en dus winstgevend) worden. Maar voor wat hoort wat: in ruil voor hun voorbereidende werk en investeringen kunnen steden hoge kwaliteitseisen of eisen rond betaalbaarheid aan bouwvergunningen koppelen. Dat blijkt in de Oude Dokken in Gent en het project voor de benedenstad van Charleroi. Al stroomt er soms veel water door de Leie en de Schelde of de Samber voor die kwaliteit zichtbaar wordt. Een stadswandeling met twee stadsbouwmeesters.

Het brochette-model van OMA in 2004 trok de ontwikkeling van de Oude Dokken in Gent op gang. Het model voorziet in een ontwikkeling in stroken dwars op de kademuren, met afwisselend, zoals bij een brochette, een strook bebouwing (een vleesje) en een strook park (een groente). Zo blijft de ontwikkeling niet beperkt tot een gouden randje aan de waterkant, maar moet ze doorlopen tot aan de Koopvaardijlaan en zelfs de Afrikalaan, tegenwoordig deel van de stadsring. Dat resulteerde in 2011 in een RUP. Peter Vanden Abeele was toen nog geen stadsbouwmeester (dat werd hij in 2017), maar was wel betrokken bij de latere uitwerking.