Over Le Corbusier als architect, kunstenaar, auteur en mens zijn bibliotheken vol geschreven. Toch is Le Corbusier’s Ahmedabad Millowners’ association building van Mehrdad Hadighi, architect en professor aan Penn State University, niet te versmaden. De auteur analyseert niet alleen een van de minder bekende Indische projecten uit de jaren 1950 van Le Corbusier. Parallel daaraan onderzoekt hij aan de hand van vele bronnen de spanning in Le Corbusiers werk tussen de hang naar regelmaat en structuur enerzijds en sublieme schoonheid anderzijds.
Het gebouw in Ahmedabad – kortweg AMOA – was een opdracht van een lokale, kapitaalkrachtige industriëlen voor een gebouw om onderling zaken te doen. Het ligt tussen de Sabarmati rivier in het westen en een verkeersas in het oosten. Oost- en westgevel zijn voorzien van verdiepingshoge brise-soleils in beton, terwijl de noord- en zuidgevel in baksteen quasi gesloten zijn. Men betreedt het gebouw aan de westzijde via een hellingbaan die leidt naar een imposante, open piano nobile op +1. Naast die hellingbaan verbindt ook een sculpturale, externe betontrap alle niveaus.
De spectaculairste ruimte is de grote zaal op de tweede etage. Ze heeft een gesloten buitenwand in notelaar. Die volgt een min of meer ovale lijn, maar de twee uiteinden schieten langs elkaar heen en vormen zo een inkomportaal. Ondanks de gesloten wand baadt de zaal in het licht doordat het dak niet vlak is maar vorm kreeg als een concave schelp. Opmerkelijk zijn verder ook de sanitaire cellen, de vestiaire en de mezzanine op +2. Ze staan als organische sculpturen vrij in het strak geritmeerde skelet van kolommen, platen en wanden. Le Corbusier besteedde ook veel aandacht aan een afwisseling van ruwe wanden in baksteen en beton met gestucte wanden met sterke kleuraccenten.
De centrale stelling van Hadighi is dat dit gebouw de essentie van de architectuuropvatting van Le Corbusier weerspiegelt. Die vat hij samen als het streven naar een maximale spanning tussen de apollinische helderheid van een de structuur en de dionysische vervoering die ontstaat door de afwijkingen die daarbinnen optreden tijdens een promenade architecturale. Hadighi beklemtoont zo dat Le Corbusier uiteraard wist dat een rationele structuur noodzakelijk is, maar een gebouw pas geslaagd achtte als daar een artistieke inzicht bovenop kwam. Zonder zo’n laag van pure, sublieme schoonheid was er voor hem van architectuur geen sprake.
Hadighi documenteert die stelling grondig. Hij grijpt terug naar boeken als Eupalinos ou l’ architecte van Paul Valéry of het oeuvre van Nietzsche, teksten die Le Corbusier nauw aan het hart lagen. Hij doorploegde alle essays, van auteurs als Peter Reyner Banham of Alan Colquhoun, in de Oeuvres complètes, alsook belangwekkende essays van Kenneth Frampton of Charles Jencks. Hij spiegelt die aan Vers une architecture, een kerntekst van Le Corbusier. Hij toont -zeer verrassend -ook aan hoezeer het denken van Le Corbusier raakt aan dat van John Ruskin, wiens oeuvre hij ontdekte in zijn jeugd aan de academie in La Chaux-de-Fonds. Die inzichten zet hij in om AMOA langs verschillende invalshoeken te analyseren. Ondanks de soms wat droge academische toon levert dat intrigerende inzichten op over de fascinatie die het (na-oorlogse) werk van Le Corbusier ook nu nog opwekt.

Le Corbusier’s Ahmedabad Millowners’ association building, Mehrdad Hadighi, Birhäuser Verlag Basel, 2025. Engelstalig. ISBN 978-3-0356-2869-2 / E-book ISBN 978-3-0356-2870-8