Toen ik studeerde, circuleerden er nog handboeken die metselwerkverbanden illustreerden. Op de universiteit werd daar echter met geen woord over gerept, want rond 1980 was gevelmetselwerk tot een mogelijke, maar weinig salonfähige (halfsteense) gevelbekleding verworden. Sindsdien won baksteen weer aan populariteit, maar nog steeds als bekleding, niet als ‘bouwsteen’. Noch architecten, noch metselaars beheersen de expressieve en constructieve kwaliteiten van metselwerk nog ten gronde.
Het Zinderend Oppervlak van Koen Mulder is een heroïsche poging om die kennislacune te dichten. Als dit boek één ding aantoont, dan wel dat een metselverband meer is dan een manier om stenen te stapelen. Het is een denkwijze, en zelfs een esthetica. Elk verband definieert immers een complexe relatie tussen constructie en beeld. Het wordt primair bepaald door een specifieke stapeling. Die resulteert in beeldbepalende ‘kettinglijnen’, de denkbeeldige lijnen die lopen langs laag om laag boven elkaar geplaatste koppen. Elke stapeling vraagt ook andere oplossingen voor hoeken en raamopeningen. En dan is er nog het spel van de voegen: verdiept, schuin, platvol, licht of donker, gesneden, dik of dun… Zelfs een simpele steen met een maatverhouding 4:2:1 laat zo talloze verbanden toe.