In België werden vanaf de tweede helft van de 19de eeuw tot ver in de jaren 1980 veel grootschalige gebouwen en complexen opgetrokken. Die constructies getuigen van een tijdperk waarin grootse ondernemingen, van publieke of private aard, gedragen werden door een nationale economie. Ze weerspiegelen de productiecapaciteit van een land met een bloeiende mijnbouw en industrie – sectoren die het nationale welzijn en de welvaartsstaat aandreven. In recentere decennia zijn de meeste grootschalige gebouwen tertiaire of commerciële complexen met een neutrale, minder uitgesproken architectuur; spiegels van onzekere tijden.

We erven architectuur die de geschiedenis van het land en zijn inwoners gestalte heeft gegeven, maar het collectieve geheugen en onze kennis gaan snel achteruit. Ze komen in de verdrukking door een overmatige belangstelling voor het heden en de nabije toekomst. Daardoor schippert onze verhouding tot het verleden en de erfstukken daarvan, tussen geheugenverlies, vaagheid en lichtzinnigheid. Hoeveel monumenten die ons pad kruisen, boeien ons nog? Hoeveel gebouwen spreken nog tot onze verbeelding?