In zijn hoedanigheid van hoofdstad fungeert Brussel als een vergrootglas op de Belgische ruimtelijke cultuur. Die wordt van oudsher gekenmerkt door een bewuste terughoudendheid van de overheid om rechtstreeks en substantieel te investeren in de gebouwde omgeving. Het overheidsbeleid richt zich vooral op de indirecte ondersteuning van vastgoedontwikkeling, zonder centrale regie en op investeringen in infrastructuur (spoorwegen, wegen), grootschalige voorzieningen en, in mindere mate, sociale woningbouw.

De Belgische staat heeft al vroeg een juridisch kader gecreëerd om privé-initiatieven voor verstedelijking te stimuleren. Tot halverwege de 19de eeuw kon bij stadsvernieuwing of -uitbreiding uitsluitend grond worden onteigend waar zich openbare infrastructuur bevond. Twee wetten, uit 1858 en 1867, gaven de overheid de bevoegdheid om bij stedelijke ingrepen ook aangrenzende percelen te onteigenen en zo de door de verstedelijking gegenereerde meerwaarde te recupereren. Vanwege de gigantische basisinvestering – het verwerven van grote hoeveelheden grond – en om de druk op de overheidsfinanciën te beperken, maakte de wetgeving het ook mogelijk om de uitvoering van de projecten uit te besteden aan private partijen. Dat principe geldt vandaag nog steeds, waardoor vastgoedontwikkelaars een centrale positie innemen in de stedelijke transformatie.