Toen Wivina Demeester eind vorige eeuw als Vlaams minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid het initiatief nam om de eerste Vlaams Bouwmeester aan te stellen, wilde ze daarmee in de eerste plaats de voorwaarden creëren voor een betere architecturale kwaliteit van overheidsgebouwen. Ondertussen zijn we meer dan twintig jaar verder en werd dankzij dit initiatief een beleid uitgebouwd dat veel verder reikt dan alleen de opdrachten van en voor de overheid. Toch blijven overheidsgebouwen zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië een paradepaardje van de wedstrijdcultuur, waarin de overheid als voorbeeldige bouwheer de kans heeft om haar visie op de gebouwde ruimte meteen in de realiteit om te zetten en het goede voorbeeld te geven.

Of dat altijd lukt, is maar de vraag, en meteen ook het onderwerp van het debat tussen Géry Leloutre en Luc Symoens in hun respectievelijke opiniestukken over Brucity, de nieuwe kantoren van de Stad Brussel. Hoe de overheid haar personeel, of ‘zij die de maatschappij dienen’, zoals het Engelse begrip civil servant het mooi uitdrukt, wil en kan huisvesten is meteen ook de veruitwendiging van het interne beleid.