Na jaren van stadsvlucht groeien onze steden opnieuw snel, en dat veroorzaakt groeipijnen op de woonmarkt. De prijzen voor kopen, huren, bouwen en verbouwen stijgen sterk. Recente evoluties zoals inflatie van materiaal- en loonkosten en stijging van de rente, versterken het effect. Eén cijfer vat de complexe stedelijke wooncrisis gebald samen: 50 procent. De helft van de stadsbewoners huurt een woning, terwijl het stedelijk woonbeleid het moet stellen met regionale en federale kaders die op eigenaarschap zijn gericht. De helft van de huurwoningen is in slechte staat. De helft van de huurders moet rondkomen met één inkomen en spendeert te veel aan de woonkost in verhouding tot het inkomen. Noodgedwongen welteverstaan, omdat de stedelijke woonmarkt in de laatste tien jaar de helft duurder is geworden. Kortom, de helft van de stadsbewoners vindt geen betaalbare woonst, terwijl wonen een basisrecht is. Komt nog bij dat de helft van de gezinnen bestaat uit alleenstaanden, eenoudergezinnen of grote en/of nieuw samengestelde gezinnen terwijl het ruimtelijk beleid afgestemd blijft op het klassieke model.

Dat alles samen – krapte in aanbod, onaangepaste woningtypes, te dure huur- en koopprijzen en ondermaatse kwaliteit – maken van de betaalbaarheid een complexe opgave, terwijl de woonmarkt maar zeer traag evolueert.