A+ vroeg me een korte ‘kritiek’ te schrijven die een kanttekening plaatst bij de parallelle praktijk. Hoe houd je het vol om ettelijke uren onbetaald werk te doen? Wat met het tekort aan (financiële) middelen voor zelf geïnitieerde projecten? Wat is de prijs van idealisme? En hoe zouden we parallelle praktijken beter kunnen omkaderen en financieren, zodat ze verduurzamen en (als dat de wens is) institutionaliseren? De vragen komen op een ironisch moment; ik heb net een subsidieaanvraag ingediend voor een beurs van het Vlaamse Kunstendecreet. De titel luidt: ‘Tussen provocatie en productie, naar een duurzame alternatieve architectuurpraktijk’. Ik zit dus al weken met dezelfde vragen in mijn maag, niet alleen vanuit een comfortabele kritische stoel, maar vooral vanuit noodzaak. De realiteit is dat het moeilijk blijft om een onafhankelijke en kritische onderzoeks- en ontwerppraktijk te waarborgen, alle beurzen en platformen voor opkomend talent ten spijt. Want wie zit er te wachten op kritische vragen over het reilen en zeilen van de stadspolitiek en toegepaste architectuur- en stedenbouwpraktijk?
Niemand, zou een afkeurend antwoord op die vraag kunnen zijn. En toch ben ik steeds weer overtuigd en geïnspireerd door de rol van de ‘ongenode buitenstaander’. Want zo voelt mijn positie soms in een praktijk die voor 90 procent uit zelf geïnitieerde onderzoeks- en (counter)projecten bestaat. De rol van Uninvited Outsider, een term gemunt door Markus Miessen, gaat over hen die met een critical proximity vanaf de zijlijn de default mode of operation trachten te bevragen, buiten de agenda’s en machtsrelaties van de gevestigde orde en experten binnen het veld. Het belang daarvan? Ik zie het als een essentieel onderdeel van het democratische proces om waardevolle inzichten publiek te maken, met als doel onrechtvaardige processen te veranderen.