In het interbellum maakten de modernisten korte metten met alles wat naar decoratie en opsmuk zweemde. Ze predikten transparantie, constructieve eerlijkheid en functionele inrichting. Behang en tapijt waren uit den boze. Alles kreeg zijn enige juiste plaats. Toch kantte vooral in Wenen een belangrijke groep moderne architecten zich tegen die opvatting, omdat ze de beleving en de agency van de gebruiker belangrijker achtte dan dictatoriale zuiverheid. Deze ontwerpers beklemtoonden het belang van tactiele materialen, tapijten en gordijnen, van comfort, een goede akoestiek en flexibiliteit. Hun invloed doet zich tot vandaag gelden. Dat blijkt weer bij de ontwerpen voor een bookshop en een restaurant in Kanal- Centre Pompidou in Brussel.
Voor Adolf Loos moest het interieur van een woning de bewoners in de eerste plaats een aangenaam gevoel bezorgen. Textiel, in de vorm van gordijnen, vloerkleden, wandtapijten (of een stenen of houten sierbekleding), moest dat in de hand werken. De architectuur speelde voor hem slechts een dienende rol, als drager van die opsmuk. Loos ontleende dat Prinzip der Bekleidung aan de Duitse architect en theoreticus Gottfried Semper. Die stelde al eerder dat de tent, een huis van textiel, de oudste vorm van bouwen en wonen is.