Rode verf, druipend van beelden in de publieke ruimte. Zo verging het in Brussel Leopold II te paard, de buste van generaal Storms, de weggelopen zwarte slaven verrast door honden en nog meer monumenten. De mediagenieke beelden appelleren aan de koloniale gruwel en geven uiting aan de huidige geest van antiracisme. Opmerkelijk genoeg blijft de koloniale architectuur gespaard van een dergelijk iconoclasme. Integendeel, Brussel pronkt graag met zijn art nouveau. Recent nog werd Hotel Van Eetvelde, ontworpen door Victor Horta in 1895, feestelijk opengesteld voor het publiek.
De appreciatie van het bouwkundige erfgoed blijft onaangetast, alsof je architectuur kunt loskoppelen van haar koloniale verleden. Zo fungeerde Hotel Solvay, ontworpen door Victor Horta in 1894, voor Geert Bekaert als schoolvoorbeeld van de architectuur van de gemeenplaats. Los van pracht en praal ging het om een ruimte die het wonen en andere diepmenselijke verlangens mogelijk maakt, dat was het argument. Daarvoor moet je dan wel even abstractie maken van de representatieve functie van de woning binnen de koloniale handelspraktijken van de heer des huizes.