Alles Passief?

gepubliceerd op 02.09.2013 | tekst Chloë Raemdonck

Tegenwoordig zijn ‘duurzaam’ en ‘ecologisch’ de modewoorden in het architectuurlandschap. Er worden zoveel verschillende onderzoeken, werkgroepen en belangenverenigingen opgezet, dat men door de bomen het bos niet meer ziet. Slimme projectontwikkelaars verkopen hun passiefhuizen als dé oplossing voor de milieuproblematiek. Maar hoe duurzaam is passief ?

Het dogma van ‘passief’
Een jong koppel komt bij een architect. Ze hebben een stuk grond gekocht in een buitenwijk van een Vlaamse grootstad. De grond zou, volgens het RUP, eigenlijk landbouwgrond worden van zodra de stal die er op staat afgebroken wordt. Maar het jonge koppel, met een hart voor de natuur, heeft een regeling kunnen treffen waardoor, indien ze binnen het gabarit van de bestaande schuur blijven, een eigen stekje kunnen neerpoten. Ze willen absoluut een passiefhuis. “Hoe groot had u deze woning gewild ?”, vraagt de architect. Het antwoord is 200 m². Helemaal passief. Voor een budget dat het gebruik van échte duurzame materialen, zoals plaatselijk ontgonnen blauwe steen en lokaal geproduceerde natuurleien, niet kan dragen. Dit voorbeeld toont de heersende misvatting duidelijk aan : passief is een dogma op zich geworden, een must have voor iedereen die meent van ons milieu te houden. Projectontwikkelaars spelen hier op in door dit sentiment economisch uit te buiten. De misvatting komt niet enkel voor op niveau van de bouwheer. Jammer genoeg vallen ook overheden ten prooi aan het ideaal van ‘passief omwille van passief’.

Passief is een dogma op zich geworden, een must have voor iedereen die meent van ons milieu te houden.

De Brusselse regering kondigde enkele maanden geleden aan dat vanaf 2015 alle nieuwbouw in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest passiefbouw moet zijn, om de Europese 20-20-20 doelstelling (20% minder emissie van broeikasgassen tegenover 1990, 20% van alle energie uit hernieuwbare bronnen, 20% meer energie-efficiëntie tegen 2020) te halen. Begin mei kreeg Brussel ook de derde plaats op de Green City Index. Naast lof was er echter ook commentaar op het energieverbruik van de vele oude gebouwen in Brussel. Daar wordt volgens Brussels minister van Leefmilieu Evelyne Huytebroeck (Ecolo) aan gewerkt met “bijvoorbeeld passiefwoningen.” (‘Brussel derde groenste stad in Europa’, De Standaard, 3 mei 2013).
Wie er echter de regelgeving op na slaat, merkt dat dit passiefhuisdecreet enkel slaat op Brusselse nieuwbouwprojecten, die in de hoofdstad een niche vormen van minder dan 10 % van de ingediende bouwaanvragen. Verder worden er in de regelgeving ook geen duurzaamheidseisen aan de nieuwbouwwoningen opgelegd. De ironie wil echter dat Brussel wel degelijk inspanning doet om zijn gebouwde patrimonium energiezuiniger te maken, maar in de marketingmachine is de term ‘passief’ meer waard.

EPB ‘Passief’ 2015 from CCB-C on Vimeo.

Passiefbouw is uiteraard niet slecht, maar het promoten van passiefbouw als de heilige graal voor een duurzame samenleving is fout. Want passiefbouw, zonder aanvullende duurzaamheidseisen op vlak van milieu en samenleving, verleent vooral economisch voordeel aan de bouwheer van het pand. Bovendien sluit de meerkost van een passiefproject bepaalde groepen in bouwfase uit. Maar de lobby’s die iets te zeggen hebben in dit discours zijn groot, machtig en velerlei. Dit maakt dat de studies omtrent het onderwerp soms onduidelijke of zelfs tegenstrijdige conclusies opleveren. Als praktiserend architect is het dan ook heel vermoeiend en tijdrovend om te traceren hoe een onderzoek gefinancierd wordt en wie er iets bij te winnen heeft.

De Babylonische spraakverwarring – energiezuinig, ecologisch en duurzaam
Het staat buiten kijf dat een passiefhuis energiezuinig is. Maar wat houdt deze term eigenlijk in? Naast de gebruiksenergie heeft een huis ook een ingebedde energie. Dit is de energie die nodig is om het huis en al zijn materialen te produceren, te vervoeren,… maar ook af te bereken en te verwerken. Een passiefhuis is dus pas ecologisch als het ook met ecologische materialen werd gebouwd.
De ambiguïteit van het begrip komt naar voor in het verschil tussen nul-energiewoningen en passiefhuizen. De passiefhuisstrategie is het verminderen van de energievraag door energieverliezen te beperken. Nul-energiewoningen compenseren de energievraag door eigen productie uit hernieuwbare bronnen. De schil van een nul-energiewoning hoeft niet zo performant te zijn als die van een passiefhuis. De Europese regelgeving vraagt dat publieke nieuwbouw tegen 2019 en andere nieuwbouw tegen 2021 “bij nul-energiebouw” zou zijn. Hierop anticiperend kondigde het Antwerpse provinciebestuur begin juni aan al haar nieuwe gebouwen en totaalrenovaties te laten voldoen aan de passiefhuisstandaard. Hoewel een passiefhuis geen nul-energiewoning is, legt de Belgische wetgeving de passiefhuisstandaard als extra eis op. Uit onderzoek aan de UGent is echter gebleken dat dit niet nodig is : “De uitgevoerde analyses toonden aan dat de ene ontwerpstrategie niet boven de andere kan worden verkozen. De hogere ingebedde energie in de installaties bij een standaard nul-energiewoning wordt immers gecompenseerd door de lagere ingebedde energie in de schil, terwijl het omgekeerde geldt voor de passief nul-energiewoning. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de totale levenscyclusenergie van beide woningtypes zeer gelijkaardig is en dat de Belgische passiefhuiseis bijgevolg niet noodzakelijk een meerwaarde betekent voor de definitie van nul-energiewoningen.” (Eline Himpe, Leen Trappers, ‘De totale energieconsumptie van een nulenergiewoning’, masterproef, UGent, 2011)

Stéphane Beel Architects, appartementen en winkelcomplex ‘De Balk’, Leuven, 2013. Dit lage-energieproject won in 2013 de BREEAM Award in de categorie ‘International – Other Buildings’, en kreeg een ‘Outstanding BREEAM rating’ voor gebouwen in ontwerpfase

Stéphane Beel Architects, appartementen en winkelcomplex ‘De Balk’, Leuven, 2013. Dit lage-energieproject won in 2013 de BREEAM Award in de categorie ‘International – Other Buildings’, en kreeg een ‘Outstanding BREEAM rating’ voor gebouwen in ontwerpfase

Uit het onderzoek kwam eveneens naar voor dat het gebruik van ecologische materialen de ingebedde-energievraag verlaagt. Maar de passiefhuisnorm doet geen uitspraak over de ingebedde energie en dus ook niet over de gebruikte materialen.
Ecologische materialen hebben geen of weinig negatieve impact op het milieu of de gezondheid. Ze zijn van natuurlijke en liefst onuitputtelijke oorsprong, zonder synthetische of chemische additieven. Het Vlaamse Vibe en het Waalse Cluster Eco-Construction zijn organisaties die informatie rond deze materialen samenbrengen. Ze kennen ook hun eigen eco-labels toe. Deze labels maken het tijdens de ontwerpfase makkelijker om voor een ecologisch alternatief te kiezen bij de keuze van isolatie, pleister, verf, hout,… Niet elk passiefhuis is ecologisch of duurzaam. Omgekeerd hoeft ook niet elk duurzaam huis een passiefhuis te zijn.
Het begrip “duurzaam” is zeer moeilijk te definiëren. Momenteel lijkt het een containerbegrip voor alles wat ook maar iets met ecologie of energiezuinigheid te maken heeft. De laatste jaren schieten middenveldorganisaties en overheidswerkgroepen als paddenstoelen uit de grond op zoek naar een invulling van het koepelbegrip.
LEnSE (Methodology Development towards a Label for Environmental, Social and Economic Buildings), een door het WTCB gecoördineerd onderzoeksproject met Europese financiering, definieerde “duurzame gebouwen” op basis van veel meer aspecten dan enkel de energetische en ecologische. De belangrijkste aspecten werden in een samenvattende tabel gegoten die men op de website van het WTCB kan terugvinden.
Ook CeDuBo, het centrum voor duurzaam wonen en bouwen legt de nadruk op meer dan alleen ecologische materialen en energiezuinig bouwen. Aspecten als locatie, veiligheid, betaalbaarheid en aanpasbaarheid komen in hun visie ook aan bod. Het is méér dan ecologisch en energiezuinig bouwen: duurzaam bouwen heeft ook een sociale en economische dimensie.
Door de complexiteit van de verschillende agerende processen is er nood aan een platform dat materiaalproducenten, aannemers, architecten, bouwheren en overheden in contact met elkaar brengt. Zowel Vlaanderen, Wallonië als Brussel richtten zo’n platform op : de transitiearena Duurzaam Wonen en Bouwen (DuWoBo), Construction Durable en het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM).
Hoewel deze organisaties al veel informatie samengebracht hebben, staat de analyse ervan vaak nog in de kinderschoenen. Bovendien is het moeilijk om socio-culturele gegevens meetbaar te gaan benaderen, waardoor de analyse eerder filosofisch dan concreet is.

Passiefhuis 1.0
In wetenschappelijke termen is het passiefhuisprincipe niet oud. Het werd in de jaren ’70 in Scandinavië ontwikkeld, maar het was dr. Wolfgang Feist die in 1996 het Duitse Passivhaus Institut oprichtte, dat zich bezig hield met het ontwikkelen van PHPP software. Door de razendsnelle ontwikkelingen op domeinen als lokale energieopwekking, ventilatie en bouwmaterialen, is het passiefhuismodel onderhevig aan constante evolutie. Maar ook de praktijk is een leerschool. Uit de oudere passieve gebouwen, meestal eengezinswoningen, leren we uit onze fouten: koudebruggen, slecht afgestelde technische installaties,… Uit recente, grotere projecten leren we dat een andere manier van werken misschien aan de orde is. Een bevraging in de sociale woonsector levert enkele voorbeelden van knelpunten op. Zo strookt het model van de openbare aanbesteding niet altijd met de opvattingen van de architect die graag het beste wat er op de markt te krijgen is, voorschrijft. Ook op de werf zelf doen zich veel problemen voor die nieuw zijn en te wijten zijn aan de hoge precisiegraad van de werken : foute uitvoeringsvolgorden waardoor sommige elementen niet ingepast kunnen worden,een arbeider die niet weet waarom er zo’n grote overlap EPDM moet zijn rond de ramen en alles wegsnijdt, de architect die te nieuwe technieken voorschrijft die moeilijk te verkrijgen zijn of waarvan niemand weet hoe ze geïnstalleerd moeten worden,…

Ecologische materialen verlagen de ingebedde energie. Maar de passiefhuisnorm doet geen uitspraak over de ingebedde energie en dus ook niet over de gebruikte materialen.

De hoge technische vereisten binnen de passiefbouw stellen de huidige driedeling opdrachtgever-architect-aannemer in vraag. Alternatieven, zoals het werken in bouwteam kunnen hier een oplossing bieden : een bouwteam, waarbij het ontwerp op voorhand met de uitvoerder op haalbaarheid wordt afgetoetst en bijgesteld, resulteert meestal in een langere voorontwerpfase, maar zorgt bij uitvoering voor een vlottere werf en dus een beter eindproduct.
Ook in gebruiksfase doen zich problemen voor. Een passiefhuis vereist een extra inspanning van de bewoner : geen deuren laten open staan, technieken laten onderhouden, filters regelmatig vervangen,… Hoewel de bewoners op voorhand worden geïnformeerd, zijn ze niet altijd gemotiveerd. Gezien het onhaalbaar en onwenselijk is de technieken zelf te onderhouden, zijn de sociale huisvestingsmaatschappijen afhankelijk van de inzet van de bewoners.
In 2012 publiceerde het departement voor Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) het onderzoek “Schone Lucht, Lage Energie”. Voor dit onderzoek werden in verschillende lage-energie-nieuwbouwprojecten, zowel woningen als scholen, stalen genomen om de chemische, fysische en biologische luchtkwaliteit te meten. De algemene conclusie was dat met een juist afgesteld ventilatiedebiet de luchtkwaliteit in een mechanisch geventileerde woning even goed of beter was dan de luchtkwaliteit in een natuurlijk geventileerde woning. De studie constateerde echter ook enkele problemen die gelinkt konden worden aan onwetendheid bij architect of gebruiker: vooral moeilijkheden bij het onderhoud van het systeem, maar ook het verminderen van het ventilatiedebiet of het uitschakelen van de machine omwille van akoestisch ongemak kwamen regelmatig voor. De gebruiker moet gesensibiliseerd worden met betrekking tot het nut en het onderhoud van de machine, terwijl de architect rekening moet houden met plaatsing en geluidsdemping om storende geluiden of tocht te verminderen om te voorkomen dat de gebruiker het ventilatiesysteem uitschakelt.

Boprohoofdkwartier, Oude Houtlei, Gent, 2010. Ook renovaties zoals dit project met laag-energetische kantoren in een 17e-eeuws pand kunnen BREEAM-gecertificeerd worden | © Sara M. Peeters

Boprohoofdkwartier, Oude Houtlei, Gent, 2010. Ook renovaties zoals dit project met laag-energetische kantoren in een 17e-eeuws pand kunnen BREEAM-gecertificeerd worden | © Sara M. Peeters

De implementatie op het terrein doet nieuwe vragen reizen : kunnen kleinere architecten en aannemers dit soort projecten nog wel tot een goed einde brengen ? Moet het wel met zo veel technieken ? Stilaan wordt onze standaardtypologie in vraag gesteld. En niet alleen op het vlak van energie. Ook sociaal (cohousing, kangoeroewonen) en economisch (aanpasbaar bouwen) staan architecten voor een opgave.

De geïntegreerde aanpak
Ontwerp moet gebouwoverstijgend zijn om antwoorden te bieden op de vraag naar echte duurzaamheid. In het buitenland bestaan al verschillende duurzaamheidsstandaarden die criteria voorleggen die verder gaan dan het gebouw op zich. Bekende voorbeelden zijn het Franse HQE, het Britse BREEAM, het Amerikaanse LEED en het Duitse DGNB. Deze hebben alle gemeen dat ze sterk wetenschappelijk onderbouwd zijn en een uitspraak doen over verschillende aspecten van het bouwproces, zowel in tijd (concept, werf, gebruik), als in ruimte (detail, gebouw, buurt, stedenbouwkundige situatie). Hun criteria zijn meestal vrij te raadplegen, maar hun certificering is vaak betalend. Hierdoor blijven ze een marketinginstrument in kapitaalkrachtige handen.
Deze systemen hebben dus zo hun zwaktes. Aan de betalende certificering is een administratieve procedure gekoppeld, waardoor ze vaak enkel toegepast worden bij grote projecten met een aanzienlijk budget en een invloed op de publieke opinie. In dat opzicht is een passiefhuiscertificaat veel toegankelijker en haalbaar voor elk type bouwheer.
Bovendien baseren deze systemen zich, net als het passiefhuiscertificaat, op wat meetbaar is om een uitspraak te doen over de duurzaamheid van een gebouw. Dit geeft hen een aura van objectiviteit, aangezien de sociale en esthetische dimensies van architectuur niet gemeten kunnen worden. Het vergt een goed opgeleid architect om sterke architectuur te ontwerpen die ook duurzaam is.
Het grote voordeel aan deze labels is dat ze een leidraad kunnen bieden bij het ontwerpen. Ze geven de architect een overzicht over de parameters waarmee hij moet rekening houden om tot een duurzaam ontwerp te komen.
In België, waar men op dit ogenblik nog voornamelijk gebruik moet maken van het in Europa populaire BREEAM-label, wordt er gewerkt aan Referentiel B, een duurzaamheidsstandaard aangepast aan de Belgische situatie. Op basis van de analyse van bestaande systemen en lokaal onderzoek werden 16 thema’s gedefinieerd. Voor elk thema werd op basis van wetenschappelijke literatuur een visie ontwikkeld. Aan de hand van deze visie werd een vragenlijst opgesteld die peilt naar objectieve en meetbare gebouwcriteria. Op basis hiervan wordt een score geven. In deze score worden de kenmerken van het gebouw, zoals functie, bezetting,… verrekend met een weegfactor. Een voorbeeld : duurzame mobiliteit gaat uit van het STOP-principe: eerst stappers, dan trappers, dan openbaar vervoer en als laatste privétransport. De vragenlijst van dit thema polst naar hoe goed het gebouw inspeelt op dit principe: wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde busstation ? Hoeveel fietsenstallingen werden er voorzien ? Zijn er douches voorzien voor mensen die met de fiets komen ? Geeft men in het gebouw duidelijk aan hoe men het openbaar vervoer kan bereiken ?,… De weegfactor bepaalt in welke mate de vraag belangrijk is voor het type gebouw of niet: voor een huis gaan sommige aspecten niet op, bij een kantoor is de infrastructuur afhankelijk van het aantal werkposten en bij een publiek gebouw, zoals een ziekenhuis, zal de connectie met het openbaar vervoer nog belangrijker worden.

Het vergt een goed opgeleid architect om sterke architectuur te ontwerpen die ook duurzaam is.

Het is duidelijk dat de vele parameters het een complexe taak maken om ‘Referentiel B’ op te stellen. Hopelijk lukt het de ontwikkelaars deze complexiteit te verstoppen achter een eenvoudige en makkelijk toepasbare applicatie, anders wordt deze duurzaamheidsmeter een log mechanisme dat het bouwproces verziekt in plaats van versterkt.

Duurzaam versus ‘duurzaam’
Momenteel focussen veel onderzoeken op energiezuinig, ecologisch en duurzaam bouwen. De resultaten van dit onderzoek worden stilaan geïmplementeerd in de bouwpraktijk. Bovendien leren we uit fouten die in het verleden werden gemaakt, uit problemen die nu pas zichtbaar worden. Het besef groeit dat ook sociale en economische dimensies, die moeilijk kwantificeerbaar zijn, een belangrijke plaats hebben in het bouwproces. Dit maakt dat duurzaam bouwen méér is dan energiezuinig bouwen. Deze visie is reeds wijd verspreid, maar nog niet per se wijd toegepast.
Dit kan door het informeren en onderwijzen van de verschillende bouwpartners, door het opnemen van extra parameters in het beleid. Maar om voor duurzaam bouwen echt een maatschappelijk draagvlak te creëren, moet ook de bouwheer geïnformeerd worden, zodat hij zich ervan bewust is dat zijn (sleutel-op-de-deur-)passiefhuis niet de belichaming is van duurzaamheid.

 

Passiefhuis-Platform www.passiefhuisplatform.be
Brussel passief ! www.brusselpassief.be
Vlaams Instituut voor Bio-Ecologisch Bouwen en Wonen www.vibe.be
Cluster Eco-construction www.clusters.wallonie.be/ecoconstruction-fr
Methodology Development towards a Label for Environmental, Social and Economic Buildings (LEnSE) www.wtcb.be
Centrum Duurzaam Bouwen www.cedubo.be
Transitie duurzaam wonen & bouwen www.duwobo.be
Leefmilieu Brussel www.ibgebim.be
Passivhaus Institut www.passiv.de
Schone Lucht, Lage Energie www.lne.be
Haute qualité environnementale (HQE) assohqe.org/hqe
BRE Environmental Assessment Method (BREEAM) www.breeam.org
Leadership in Energy and Environmental Design (LEED) www.usgbc.org/leed
Deutsche Gesellschaft für Nachhaltiges Bauen (DGNB) www.dgnb.de

schrijf je in voor de nieuwsbrief