Nieuwe mode in de Noordwijk

gepubliceerd op 26.03.2019 | tekst Gideon Boie

© 51N4E

Het ontwerp van ZIN werd vorige week met veel tromgeroffel aangekondigd in Brussel. Vergezeld van levendige beelden spreken mediaberichten over architecturale kwaliteit en sociale diversiteit in de Noordwijk. De opgeklopte ambities roepen tal van vragen op. Dat was een goed jaar geleden niet anders met de aankondiging van de samenwerking tussen JaspersEyers en 51N4E. De bekendmaking van het ontwerp is een ideaal moment om terug te blikken op een gesprek met Kristiaan Borret.

In het kader van WTC24 nam Brussels Bouwmeester Kristiaan Borret plaats op de sofa (23/01/2018) voor een gesprek over de vraag hoeveel architecturale kwaliteit de Noordwijk kan verdragen. De directe aanleiding voor het gesprek was de kritiek van Marc Dubois op de wedstrijd om een kwalitatief architectenbureau te koppelen met JaspersEyers voor het ontwerp van WTC 1&2 – op dat moment was de keuze van 51N4E nog niet bekend. Dubois zag het als een list van de status quo om haar greep te behouden en hekelde het extreem lage ereloon voor architecturale kwaliteit – nauwelijks 1%. Kristiaan Borret voelde zich aangesproken: “het is mijn doelstelling om de Brusselse vastgoedmarkt, die nu gemonopoliseerd wordt door een klein aantal spelers, open te breken.” De ambitie was om opdrachtgevers te overtuigen een keuze te maken voor een andere, kwalitatieve architectuur. Borret kaatste de bal terug met de vraag of je het halfvolle of halflege glas wil zien. Instrumentalisatie is een risico dat niet uit te sluiten valt, maar het ereloon gaat uiteindelijk om ongeveer 1/5 van het ereloon – om precies te zijn 0,95% van 4,75% – en sowieso om zeer veel geld.

In het gesprek werd duidelijk hoe deze koppeling van JaspersEyers en 51N4E om véél meer gaat dan enkel WTC alleen.

In de eerste plaats spreken we over een politieke trendwissel. In de samenwerking van JaspersEyers met 51N4E rond het WTC project zien we een gevoelige uitbreiding van de bandbreedte waarbinnen architecturale kwaliteit besproken en beoordeeld wordt. Kristiaan Borret verwees hierbij naar het einde van zijn periode als Stadsbouwmeester in Antwerpen – een einde dat ingezet werd bij het aantreden van Bart De Wever als Burgemeester. Uitspraken van de stadsbouwmeester over strategie, sociale menging en programma werden niet langer getolereerd, aangezien deze inhoud beschouwd werd als de ‘primauteit van de politiek’. Hij omschrijft het als een revanche op de jarenlange poging om architectuur te professionaliseren en een poging om jury’s van architectuurwedstrijden te reduceren tot een technische affaire. Markt en politiek moesten terug vrij opereren zonder de bemoeizucht van een bemiddelend niveau. In Brussel ervaart Borret de omgekeerde tendens, waarbij juist een einde komt aan de beoordeling van architecturale kwaliteit op basis van de glasgevel. De inbreng van 51N4E binnen de renovatie van WTC staat symbool voor de nieuwe openheid in Brussel om wél in te grijpen binnen het programma van de Noordwijk.

Hiermee komen we op een tweede trendwissel. Gezien het beperkte publiek eigendom in Brussel, heeft een architectuurbeleid slechts kans van slagen voor zover het de vastgoedmarkt weet te verleiden om een interessant stedelijk project te maken. Tot voor kort dacht de vastgoedmarkt in de Noordwijk enkel in termen van kantooroppervlakte en elke vraag op ambitieverhoging botste op de standaardreactie: ça va etre compliqué. Kristiaan Borret zegt – ik parafraseer: “Het goede nieuws van de huidige leegstand is dat de vastgoedmarkt verplicht werd tot reflectie over de kwaliteit van leven en werken in de Noordwijk.” Hij gebruikte het einde van jarenlange huurcontracten met de overheid als opportuniteit om de vastgoedmarkt proactief de hand te reiken. De rol van de Bouwmeester bestond vervolgens in het verbreden van de scope op architectuur, het naar voren schuiven van goede praktijkvoorbeelden en matchmaking doorheen open competitie. Op die manier gaat idealisme (het geloof in capaciteitsopbouw binnen de vastgoedmarkt) samen met dosis opportunisme (samenwerken als snelste weg naar een vergunning).

Voor de Brusselse Bouwmeester moet het WTC – sinds kort herdoopt tot ZIN – op zijn beurt gaan functioneren als goed praktijkvoorbeeld voor de andere leegstaande gebouwen in de Noordwijk. De hamvraag blijft wel of er garanties zijn dat 51N4E niet gebruikt wordt als useful idiots die in hun streven naar architecturale kwaliteit uiteindelijk de bestaande spelers in de Noordwijk de enige kans biedt op overleven. Op deze vraag antwoordde Borret vanuit de sofa zelfverzekerd: “Problemen in de samenwerking zullen zorgen voor slechte vibes.” Deze logica speelt echter vooral in de wedloop van een aanbesteding. Met de toekenning van de opdracht treedt doorgaans een nieuw tijdperk in. Het zou niet de eerste keer zijn dat de goede naam van architecten gebruikt wordt in het opkloppen van de offerte, maar na het binnenhalen van de opdracht geen stuiver waard is. Om de opzet van de Brusselse Bouwmeester te doen slagen komt het erop aan kwaliteit te bewaken in de volgende stap naar de bouwvergunning. Borret is zich hiervan goed bewust: “Het risico op kwaliteitserosie of window dressing blijft bestaan, maar we proberen het project alvast langer te beheersen dan enkel de wedstrijdfase.” Kortom, we kunnen het WTC project pas presenteren als voorbeeldproject als we weten of de levendige droombeelden van ZIN een houdbaarheidsdatum kennen.

schrijf je in voor de nieuwsbrief