Kerk zoekt parochie(s)

gepubliceerd op 02.12.2014 | tekst tjm

Cover_Kerken in Gent

Hoe de ‘46’ in de titel van dit boek geslopen is, blijft een raadsel. Fotograaf Karin Borghouts toog immers op pad om 47 parochiekerken op het Gentse grondgebied – gebouwd tussen de 11e eeuw en 1969 – vast te leggen op foto. Op de tentoonstelling in het STAM werd haar geslaagde reeks aangevuld met “voorbeelden van herbestemmingen en niet uitgevoerde plannen [die] dienen als inspiratie voor deze denkoefening.” In het boek werden die echter niet opgenomen – een foute beslissing. Wie inspiratie wil opdoen over de herbestemming van kerken en hun omgeving, moet van dit werk, op het summiere ‘opiniestuk’ van Koen Van Synghel na, niet veel verwachten.

Het boek is vooral een momentopname van een verdwijnende wereld. Naast de herkenbare monumentaliteit van Sint-Baafs, Sint-Jacobs en Sint-Pieters, maken we kennis met minder bekende, barokke begijnhofkerken, vergeten gotische dorpskerken en de even bekende als onzichtbaar geworden neogotische kerken in de 19e-eeuwse stadsgordel, met hun zwart uitgeslagen baksteengevels. Van de drie kerken in interbellumstijl lijkt de Onze-Lieve-Vrouw in Sint-Amandsberg meer op een geheimzinnige vrijmetselaarsloge; de drie modernistische kerken zouden zonder hun klokkentoren en luifel makkelijk door kunnen gaan voor groot uitgevallen villa’s, of hangars.

Hoewel de meeste kerken het geografische middelpunt van een wijk vormen, liggen ze er plompverloren bij. Vaak zitten hun deuren potdicht, wordt het voorplein als parking gebruikt of keuren passanten deze kolossen geen blik waardig. De archaïsche ‘stillevens’ met lege biechtstoelen, huilende Maria’s en achtergebleven rozenblaadjes maken het geheel nog uitzichtlozer. Deze parochiekerken zonder parochie hebben niets gemeen met de vooroorlogse dragers van gemeenschap, leven en werk, zoals Stefan Hertmans ze zo treffend beschrijft in zijn roman ‘Oorlog en terpentijn’. Deze ‘spookgebouwen’ zijn een reëel probleem geworden in de Europese grootstad, waar om elke vierkante meter vrije ruimte gevochten wordt. Dat bij de sanering van het rooms-katholieke patrimonium heel wat kerken ‘afgestoten’ en ontwijd zullen worden staat vast, de vraag is alleen hoe men deze plekken hun “fundamentele dimensies (…), namelijk locus van het sacrum en centrum van het sociale” kan teruggeven. Koen Van Synghel probeert die vraag nader te beantwoorden: men zou in de overmatig hoge kerken een verdieping kunnen ‘inschuiven’, waardoor er zich meerdere activiteiten tegelijk kunnen afspelen. Men zou de natuur vrij spel kunnen geven in een kerkruïne, om een ‘Toteninsel’ à la Arnold Böcklin te creëren, als nieuw knooppunt tussen leven en dood. Hoewel anekdotisch, tonen zijn voorbeelden de goede weg: het zou een fout zijn deze historische ruimtes van stilte, bezinning en viering zonder meer te schrappen. Rustpunten moeten in dit jachtige bestaan meer dan ooit gevrijwaard worden. Dat kan door beslissingen op lokaal niveau – met alle betrokkenen en omwonenden samen–, kerk per kerk te nemen.

De eerste christenen kenden geen kerkgebouwen. Het is goed mogelijk dat de ‘laatste christenen’ hier binnenkort eveneens hun missen zullen vieren in besloten zijkapellen, achterhuizen of oude garages, zoals andere spirituele of religieuze gemeenschappen dat nu al decennialang doen. Daarmee zullen zij het lot delen van alle bevolkingsgroepen die zich afkeren van het grote geld en het massa-evenement; van kunstliefhebbers, over voedselteams, tot feestvierders.

 

Kerken in Gent. 46 parochiekerken om over na te denken
Karin Borghouts
Uitgeverij Snoeck, Gent-Kortrijk, 2014
isbn 978-94-6161-162-8
www.snoeckpublishers.be

 

schrijf je in voor de nieuwsbrief