De kleine verschillen

gepubliceerd op 15.02.2016 | tekst Pieter T'Jonck

cover

Kenneth Frampton opent zijn heel pas verschenen ‘A genealogy of modern architecture 1923-1980’ met de definitie die de Franse filosoof Michel Foucault gaf van het begrip genealogie. Voor Foucault is genealogie een vorm van geschiedschrijving die singuliere gebeurtenissen opspeurt in plaats van een grote finaliteit te schetsen. In de genealogie gaat het niet om de grote geschiedenis: ze snuistert maar rond in onooglijke documenten om te ontdekken wat er zich ergens precies afspeelde.

Dat zet meteen de toon van dit boek. Frampton herhaalt hier fundamentele inzichten uit zijn eerdere boeken. Cultuur, dus ook architecturale cultuur, kan volgens hem maar begrepen worden door na te gaan uit welke traditie ze voortkomt. Dat klinkt als een paradox in het geval van de moderne architectuur, want die wierp zichzelf op als een nieuw begin. Het postmodernisme verwees die opvatting ondertussen echter naar de schroothoop van de geschiedenis.

Frampton merkt echter op dat er binnen de Moderne Beweging zelf al twijfel bestond over dit project. Hij ontkent ook dat de Moderne Beweging radicaal brak met het verleden. Vandaar dat hij niet over een geschiedenis wil spreken, maar over een genealogie: hij zoekt naar de kleine verschillen, vergeten sporen, onbelangrijke details die verzwegen ambities en gedachten verraden.

boek

Frampton voegt in dit boek de daad bij het woord. Het boek is namelijk de neerslag van een lessenreeks die hij vanaf de jaren 1970 gaf. Daarin liet hij studenten telkens de verschillen tussen twee gebouwen analyseren. Frampton wilde zo een brug slaan tussen het werk in het atelier en de meer historisch-theoretische vakken.

De methode is op het eerste gezicht eenvoudig: neem twee gebouwen met een gelijkaardig programma, min of meer dezelfde omvang, gebouwd in min of meer dezelfde periode, en kijk dan waar de verschillen zitten en welke voorgangers een inspiratiebron waren. Bij de woningen krijg je zo bijvoorbeeld de vergelijking tussen Mies’ Villa Tugendhat en Aalto’s Villa Mairea, maar er zijn ook minder bekende paren als het Tubac House van Rick Joy en het Agosta House van Patkau Architects. Al krijgen woningen in dit boek dan bijna de helft van de ruimte toegemeten, Frampton richt zijn aandacht ook op grotere programma’s zoals woningbouwprojecten, kantoorgebouwen, publieke gebouwen, concertzalen, musea en tenslotte ook sportstadia.

Elk van die gebouwenparen wordt geanalyseerd volgens vijf invalshoeken: type en context; de gradiënt publiek-privé; route en bestemming; structuur en membraan; geheel van connotaties. Vooral die laatste invalshoek is van belang: Frampton formuleert daar telkens een synthese van inzichten die in de andere, meer ‘objectieve’ analyses al opdoemden. Zijn vergelijking tussen de Casa del Fascio van Guiseppe Terragni (Como, IT,1936) en de uitbreiding van het gerechtshof van Erik Gunnar Asplund (Gothenburg, SE, 1937) analyseert hij treffend de verschillen in sensibiliteit en cultureel DNA van de twee ontwerpen.

In een inleidend essay verantwoordt Frampton zijn criteria zowel architectuurhistorisch, filosofisch als pedagogisch. Vooral in het filosofische deel geeft hij zijn kaarten bloot. Zijn denkbeelden berusten op het onderscheid dat de Duitse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) in ‘The human condition’ (1958) maakte tussen ‘Labor’ en ‘Work’. Het eerste staat daarbij voor arbeid die slechts de onmiddellijke bevrediging dient, het tweede voor elke handelingen waarmee de mens zijn wereld ook ideëel vorm geeft. Architectuur valt onder dat tweede begrip, al constateert Frampton bitter dat dit steeds minder het geval is in de consumptiesamenleving.

Aan het onderscheid van Arendt koppelt hij het inzicht van de Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) dat er geen subjectiviteit zonder lichaam bestaat. Frampton vertaalt dat naar de architectuur als de stelling dat materie en fysieke ervaring wezenlijke parameters zijn van een gebouw. Je merkt hier dat Framptons referentiekader zich na de jaren 1970 niet meer verbreedde. Toch is het onderzoek dat hij hier voert nog steeds lezenswaardig , zeker voor studenten die zich een beeld proberen te vormen van de moderne architectuurgeschiedenis.

 

A Genealogy of Modern Architecture. Comparative Critical Analysis of Built Form 
Kenneth Frampton
Lars Müller Publishers, Zürich, 2015
isbn 978-3-03778-369-6
www.lars-mueller-publishers.com

schrijf je in voor de nieuwsbrief