Wijkhuis en woningen

Bureau d'architecture Anne Ledroit, Vincent Pierret et Cédric Polet + Atelier de l'Arbre d'Or
gepubliceerd op 16.04.2012 | tekst Christophe Grafe niet-residentieel
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde

De omgeving van het Flageyplein is een panoramische verdichting van de formele ambities en pragmatische beslissingen die Brussel kenmerken. De hoog oprijzende gevels van het Flageygebouw en de appartementsgebouwen rondom het plein vormen samen een naar Noord-Europese begrippen geloofwaardig metropolitaans decor. Deze reeks wanden, die zich voortzet langs de vijvers van Elsene, benadrukt de anonimiteit van een uiterst correct maar ook behaaglijk-modern grotestadsleven volgens het idioom van de 20e-eeuwse moderne architectuur. In de zijstraten vinden we het weefsel van de individuele stadshuizen, dat de hele 19e-eeuwse ring van Brussel domineert en dat zich als een verstedelijkingsdeken over de heuvels en valleien van Elsene heeft gelegd.
De nevenschikking van schalen is er ook een van sociale milieus, van het welvarende en het precaire Brussel. Rondom het Flageyplein is dit bijzonder nadrukkelijk voelbaar. Op steenworpafstand van het plein en het bucolische fragment van de vijvers vinden we dicht bebouwde stadsblokken met slecht onderhouden panden en volgebouwde binnenterreinen. De laag van burgerlijk comfort blijkt, bij nader inzien, zeer dun. De grens tussen metropool en koterijenzee loopt dwars door de bouwblokken aan de rand van het plein. Het is niet anders gesteld met het driehoekige bouwblok waarin het architectenbureau Ledroit-Pierret-Polet nu een wijkcentrum en veertien woningen heeft gerealiseerd. De confrontatie is meteen en op het dramatische af zichtbaar: aan de ene zijde de achterkanten van appartementsgebouwen van tot negen bouwlagen; aan de andere zijde huizen van drie of vier bouwlagen, gewrongen in een spitse hoek. Dit zorgt voor ongemakkelijke asymmetrische verhoudingen tussen geprivilegieerde ‘rear window’-uitzichten vanuit de appartementsgebouwen en het ingekapselde leven in de lage huizen aan de overkant.
De architecten troffen een kavel aan dat het bouwblok ongeveer halverwege doorsnijdt, tussen de Damstraat en de Zwanenstraat, twee zijstraten van het plein. Op deze locatie, waar zich voorheen een oude bioscoop en een opslaghal bevonden, organiseerde het programma zich als het ware vanzelf: het wijkcentrum heeft een logische plaats langs de Damstraat en grenst rechtstreeks aan de openbare ruimte. De woningen vormen een bouwvolume in het blok van vier en vijf lagen, dat als een scherm tussen de twee tuinen ligt. Aan de Zwanenstraat wordt het bouwblok gesloten door een invulling met woningen. Het project kent daarmee drie specifiek van elkaar onderscheiden onderdelen die zich telkens op een andere manier tot de stedelijke omgeving verhouden: het publieke gebouw als collectieve voorziening met een aanwezigheid in de openbare ruimte, het appartementsgebouw langs een straat en tenslotte de gestapelde woningen die via een semipublieke binnenruimte worden bereikt. In de stedenbouwkundige opzet en in de architecturale uitwerking zijn deze drie situaties met hun verschillende programma’s echter samengevoegd tot één figuur: een bouwlichaam dat, vertrekkend van de Zwanenstraat, door het binnenterrein kronkelt en vervolgens nog een losse voetnoot krijgt aan de andere kant van het blok. Het project kan gezien worden als een tekening van twee wanden die een beweging langs de straat tot in het bouwblok beschrijven en daarbij steeds licht van richting veranderen. Tussen deze beide wanden zou in principe elk programma gesitueerd kunnen worden. Iedere richtingsverandering gaat bovendien gepaard met een knik in de wand, en verschaft zo steeds brekende, verschuivende perspectieven op de heterogene en visueel complexe omgeving. In termen van stedelijke architectuur zijn de wanden geen abstracte gegevens, maar gevels die de coherentie van de figuur benadrukken, zonder daarbij de context uit het oog te verliezen.
Het opvatten van de gevels als een samenhangende verhaallijn heeft een aantal consequenties. Enerzijds verschijnt het gebouw zowel van buiten als in het interieur als een sequentie van schuine perspectieven. Anderzijds komt er een nadruk te liggen op een horizontaal scenario en worden conventionele verticalen vermeden, zoals de aanduiding van de stapeling van identieke programma’s.
Zo verschijnt het wijkcentrum aan de straat als een dichte muur met daarin drie horizontale uitstulpingen met glasvlakken, die door hun scherpe inkadering tegelijkertijd overmaatse spiegel en dunne scheidslijn tussen binnen en buiten vormen. Achter deze muur bevinden zich verschillende polyvalente ruimten op vier verdiepingen: een foyer op de begane grond, een langwerpige zaal met podium op de eerste verdieping, daarboven een salon en een reeks kleinere kamers en ten slotte een penthouse met dakterras.
De woningen treden naar buiten als horizontale reeksen ramen of beschrijven diagonalen die de interne organisatie aanduiden maar niet definitief blootgeven. Het spel tussen de aangeduide conventies – ontelbare anonieme ramen voor het stedelijk wonen, een telbare reeks erkers met daarin telkens één tafereel voor de publieke functie – maakt het gebouw leesbaar als autonoom object, maar ook als een gefragmenteerde compositie die zich met onnadrukkelijke souplesse plooit naar haar omgeving. Daarmee herdefinieert ze de scheidslijnen tussen het openbare en het private, het algemene en het singuliere.

download pdf
Bureau d'architecture Anne Ledroit, Vincent Pierret et Cédric Polet + Atelier de l'Arbre d'Or
Elsene | 2012
A+235
pagina's 26-29

Mensen die dit artikel lazen bekeken ook

© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde
© Tim Van de Velde

schrijf je in voor de nieuwsbrief