Gepubliceerd op 13.03.2024 | Tekst: Gideon Boie

De energietransitie en de geopolitieke context van het klimaatregime heeft een flinke impact op ruimte en architectuur. De tentoonstelling POWER in het CIVA (open tot 17 maart 2024) biedt een rijkgevuld overzicht. De bezoeker wordt uitgedaagd om krachtcentrales niet alleen te zien in functie van het opwekken en verdelen van energie, maar ook als belichaming van politieke macht. Hierdoor kan het energievraagstuk evengoed functioneren als counterproject die de gevestigde macht en kennis ondermijnt.

Centraal in de tentoonstelling staat een installatie van Armin Linke met indrukwekkende foto’s van energie-infrastructuren verspreid over de hele wereld. Het gaat om waterdammen, open mijnen, postindustriële landschappen en wat nog allemaal meer. Het werk wordt omschreven als een archeologie van het Antropoceen, al blijft het verhaal nogal eendimensionaal. De fotografie rekent vooral op het sublieme effect van de grandioze landschappen, zeker als de menselijke schaal geënsceneerd wordt. Ook de installatie zelf neemt een nogal pretentieuze plaats in binnen de tentoonstelling met de in het oog springende tekentafels en dito Instagram-achtige kadrering.

De archeologie van het Antropoceen krijgt een subtielere wending in de film The Great Endeavour (2023) van Liam Young. De film toont enorme panorama’s met gigantische infrastructuren voor de opslag van koolstof, zonne-energie in de woestijn, boorplatformen op de oceaan, enz. Het blijft onduidelijk of de scènes al dan niet denkbeeldig en daardoor is de interpretatie ervan minder voor de hand liggend. Het sublieme effect blijft aanwezig, maar wordt verstoord door een aanzwellende, bezwerende, bijna hallucinatoire soundtrack. Het blijft totaal onduidelijk of de kunstenaar de energiecentrales waardeert of deze portretteert als dystopische toekomst.

Als het gaat om de stedenbouw van het Antropoceen biedt de tentoonstelling een mooie verzameling cases, zoals AMO’s studie getiteld ‘Zeekracht’ (2008), een masterplan voor offshore windmolenparken in de Noordzee in opdracht van Stichting Natuur en Milieu. Het document past in het optimisme van de Nederlandse planningstraditie en kapitaliseert op de vele trickle-down effecten van de nieuwe maritieme landschappen – op vlak van fauna, recreatie en meer. De studie mist evenwel het ‘kritisch paranoïde’ karakter van de vroege geschriften van Rem Koolhaas. Het lijkt alsof AMO echt in de voorstellen gelooft en zelfs een catastrofe zou aangrijpen als opportuniteit.

Een meer intrigerende verknoping van belangen is te zien in het dossier van Dennis Pohl over de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. De donkere ‘koloniale’ schaduw over Expo 58 is algemeen bekend. Minder gekend is de functie ervan als glijmiddel voor de bouw van een kerncentrale in Brussel. De historische dossiers die worden getoond in de POWER-tentoonstelling in het CIVA zijn zeer concreet. De bouwplaats was voorzien aan de Van Praet-brug, tussen het Koninklijk Domein van Laken en Brussels Royal Yacht Club. De stedenbouwkundige vergunning was al afgeleverd door Paul Vanden Boeynants, de notoire spilfiguur van de Verbrusseling.

De vergunning werd afgeleverd onder een bijzonder decreet dat verwees naar de hoogdringendheid van Expo 58. De schitterende potloodtekeningen werden opmerkelijk genoeg niet ondertekend door een architect. Uit documenten blijkt hoe koning Boudewijn een klacht indiende tegen het bouwproject en zelfs verwees naar burgerprotest bij omwonenden. De kerncentrale werd later gerealiseerd in het atoomdorp Mol, inclusief een modernistische woonwijk vlakbij de grens met Nederland. In dit perspectief is het Atomium een ietwat armzalig overblijfsel van een nogal obscuur geloof in de toekomst.

Een duiding van de subjectieve agency in het Antropoceen is te zien in de voorstelling van ‘The Pile’ van CityMine(d). De tafel toont het harde werk dat nodig is bij het vormen van lokale energiegemeenschappen in Brussel. Het initiatief van de vzw is erop gericht om leken bewust te maken van iets alledaags is en tegelijk zo onzichtbaar is als energie. Het gaat om pionierswerk dat ingaat tegen commerciële belangen van energiemonopolies en zich verdiept in complexe regelgeving. Juist daarom is het lokale ‘bottomup’ werk ook gericht op toekomstige wetgevende initiatief om verkoop van zelfopgewekte energie mogelijk te maken.

De agency van architectuur in het Antropoceen komt sterk naar voor in ‘HouseEurope!’, een burgerinitiatief dat ijvert voor EU-wetgeving rond het verbod op sloop, geïnitieerd door Arno Brandlhuber en Olaf Grawert. Bekende architecten treden op als ambassadeur van het manifest, zoals Herzog & De Meuron, Lacaton Vassal en anderen. Het initiatief laat zien hoe architecten misschien wel in dienst staan van opdrachtgevers, maar hiermee niet hun vermogen verliezen om politiek te handelen. Integendeel, de zetel van de macht stelt de architect juist in staat om aan te sturen op verandering en hiertoe kennis en ervaring aan te leveren.

De tentoonstelling toont nog op veel andere manieren hoe architectuur een eigen agency kan hebben in het Antropoceen, van het voorplein aan de Nôtre-Dame in Parijs door Bas Smets en ecosysteemanalyses van Paul Duvigneaud tot het tekenen van de campagneposter (1981) voor de partij Ecolo door Luc en François Schuiten. Zelfs het rode tapijt in de tentoonstelling blijkt niet louter scenografie, maar een bijdrage over het onderwerp door Philippe Rahm. In een video schetst Bruno Latour de uitdaging in het Antropoceen: ‘hoe denken we collectief over de nieuwe situatie, het Antropoceen?’ Ecologisch urbanisme gaat niet zozeer over het herstellen van de natuur, maar vooral in de aanmoediging om de passiviteit ten aanzien van de ‘technosfeer’ te overwinnen.

Deze review is geïnspireerd op het expobezoek onder leiding van masterstudenten Architecture and Activism van de Faculteit Architectuur KU Leuven.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.