Gepubliceerd op 23.01.2024 | Tekst: Pieter T'Jonck

In november 1992 werd de Kunsthal Rotterdam, ontworpen door Rem Koolhaas / OMA officieel geopend door Koningin Beatrix. Dat was ruim later dan voorzien, maar het was wel één van de meest spraakmakende gebouwen van die tijd, ondanks zijn bescheiden omtrek van 60 bij 60 meter, de luifel van de ‘portico’ aan de Westerdijk inbegrepen. Tibor Pataky, een architect en architectuurhistoricus uit Zürich schreef er met OMA’s Kunsthal in Rotterdam / Rem Koolhaas and the New Europe een uitgebreide studie over. Hij betoogt dat de vormgeving van het gebouw, ongeacht wat Koolhaas zelf beweert, een specifiek verhaal vertelt, dat verbonden is met de maatschappelijke en culturele omwentelingen rond 1990.

Als je het oeuvre uit de beginjaren van OMA zou willen samenvatten, dan zou je uitkomen op iets als ‘program without form’, gekruid door een opmerkelijke zin voor subversiviteit en afkeer – ‘dégoût’ is de term die Pataky ontleent aan Adorno – voor ‘mainstream’. Wat ook speelde was een quasi-nostalgisch verlangen naar een architectuur die, zoals die van de modernisten, een duidelijk ideologisch programma had. Met daarbovenop een brandend verlangen om zich te onderscheiden.

Koolhaas zette zich in die tijd inderdaad met bijtende teksten af tegen de zwakke ideologische basis van postmoderne en deconstructivistische architectuur. Ze pretendeerden de fragmentatie van de wereld te weerspiegelen, maar deden dat volgens Koolhaas enkel qua vorm, niet in hun functioneren of programma. Ze sleepten zo de traditie van de architectuur als een loden bal en een slecht geweten mee. Hij hekelde zo v collega’s waar hij, als auteur en docent aan o.m. de Londense AA school dagelijks mee omging: het gesloten milieu van de papieren architectuur in de crisis van de jaren 1970-1980.

Maar wat was het alternatief? Daar wrong het schoentje niet weinig. Enerzijds had OMA zelf zich tot dan toe sterk verlaten op fantastische collages van het modernistische idioom, met een voorliefde voor het constructivisme van Ivan Leonidov. Toen dat, zeker in Nederland, usance werd en ook deconstructivisten graaiden in de erfenis van de constructivisten, besefte hij dat er iets anders, iets werkelijk nieuw, nodig was. Koolhaas zag ook eerder dan wie ook dat het publieke domein, de stad van Baudelaire, van de surrealisten of van Guy Debord, op het punt stond te verdwijnen. Koolhaas zag naar het einde van de jaren 1980 maar één vluchtheuvel: het buitenmaats grote gebouw: programmatisch heterogeen, maar vormelijk een eenheid.

Dat was een vlucht vooruit. Een voorafname op wat architectuur zou kunnen betekenen in een tijd waarin elke ideologie en elke zekerheid was stukgelopen op de triomf, maar ook de permanente instabiliteit van het kapitalisme na de val van de Berlijnse Muur. Grote gebouwen vragen immers ook groot kapitaal en grote bedrijven, alles dus wat net niet subversief en erg ‘mainstream’ is. Koolhaas besefte het maar al te goed.

Zijn ontwerp voor het NAi in Rotterdam, dat om onbegrijpelijke redenen geweerd werd ten voordele van het huidige ‘Nieuwe Instituut’ van Jo Coenen, was een eerste proeve van een nieuwe architectuur die ‘the whole and the real’ zou belichamen. Tegelijk werkte OMA aan de Kunsthal. Ook een compact volume, maar toch heel anders dan het NAi. Voor wie het nooit zag: de strakke, maar bij nader toekijken hoogst grillig gevarieerde buitengevels omspannen een interieur dat bijna uit elkaar spat door een overdaad van ideeën en referenties. Het is als een compendium van elke moderne, postmoderne en deconstructivistische strategie. Tegelijk interioriseert het, door de hellende straat die er doorheen loopt, ook de idee van het gebouw als een gecondenseerde stad, die open staat voor onverwachte gebeurtenissen.

Het is de ontzagwekkende verdienste van Tibor Pataky dat hij die excessieve vorm ontrafelt in al zijn aspecten. Hoe ze zich verhield tot recente ontwikkelingen in de architectuur en tot de neoliberale draai die de EU nam na 1990. Hoe ze paste binnen de revisie van de Rotterdamse stadsontwikkeling, met een fascinerend verslag van het ontwerp van het Museumpark door Yves Brunier en Koolhaas. Hoe het ontwerp zelf zich ontwikkelde in de finale fase, toe ook Cecil Balmond van Ove Arup er zich mee ging bemoeien. Hoe de verzamelde architectuurkritiek verbijsterd woorden zocht om te verklaren wat dit gebouw aan de orde stelde. De conclusie: dit gebouw is in zijn excessieve vorm tegelijk een afscheid van architectuur als een professie belast met zijn eigen verleden, en een stap naar het nieuwe. Zonder het oude te vergeten weliswaar.

Tabaky brengt daartoe een weelde van historisch materiaal, gaande van plannen en detailtekeningen tot teksten, van Koolhaas zelf en van critici, bijeen. Aan de hand daarvan wijst hij haarscherp de ambiguïteiten en blinde vlekken in Kollhaas’ retoriek aan, maar maakt hij ook aannemelijk waarom dit gebouw toen (en nu) zo belangrijk was. Fascinerend voor architecten is zeker het verslag van het ontwerpproces zelf in hoofdstuk 6. Een must voor iedereen die belang stelt in de architectuurtheorie van de jaren 1990 en het werk van OMA.

OMA’s Kunsthal in Rotterdam / Rem Koolhaas and the New Europe, Tibor Pataky, Park Books, Zürich, 2023. ISBN 978 3 03860 321 4. Adviesprijs: 48 €.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.