Gepubliceerd op 29.02.2024 | Tekst: Pieter T’Jonck | Foto's: Sébastien Bez

A+306 Building for culture

Je kan het volledige artikel lezen in het nummer A+306 Building for culture. Bestel hier een exemplaar of neem een jaarabonnement op A+ en mis geen enkel nummer!

In 1996 sloot de Brusselse Beurs definitief de deuren. De beursactiviteit verkaste naar de digitale sfeer van Euronext. Pas toen vervelde het gebouw werkelijk tot ‘monument’, plaats van herdenking. Door zijn grandeur, zijn ligging en bovenal door de imposante trappen aan het Beursplein – tegelijk forum en tribune – werd het een landmark en een stedelijk ankerpunt, bijvoorbeeld bij de rouwbeleving na de aanslagen in 2016. De precieze functie van het gebouw raakte daarentegen vergeten. Hoe het er vanbinnen uitzag wist zelfs bijna niemand. De renovatie onder leiding van Robbrecht en Daem Architecten, het Bureau d’Études en Architectures Urbaines en Popoff architectes verandert dat: het gebouw wordt – voor het eerst – een stedelijk interieur met veel allure. Op de bovenetages kwam er ook een biermuseum. Het vreemde gevolg is dat het gebouw zijn symbolische aura verliest: het dreigt een louter toeristische plek te worden.

De ontwerpers hadden een scherp oog voor de disruptieve rol van het monument in het Brussel van de tweede helft van de 19de eeuw. Het enorme complex van 40 bij 80 meter was het sluitstuk van de nieuwe aanleg van de benedenstad naar Parijs model. Het reet het middeleeuwse weefsel uiteen. De achterzijde nadert de Sint-Niklaaskerk aan de Taborastraat zo dicht dat ze die verdrukt. Een van de belangrijkste ingrepen van het ontwerp, al tast die het gebouw op het eerste gezicht nauwelijks aan, bestond erin om in de drie en een halve meter hoge sokkel van het gebouw op de hoek tegenover de kerk grote openingen te maken. Daarachter voert een riante stenen trap in de ‘Sint-Niklaaszaal’ naar de centrale hal op de eerste etage. Het is alsof de middeleeuwse straten in het gebouw doorlopen. Helaas: de elegante grilles in messing van deze doorgang bleken bij mijn bezoek gesloten. De grote stroom bezoekers nam dus de originele smalle trap in de as van het gebouw van Léon Suys, zonder dit betekenisvolle architecturale gebaar zelfs maar op te merken.

Ook halverwege de zijgevels aan de Beursstraat en de Henri Mausstraat werkt het ontwerp de sokkel open om een doorgang tussen beide straten te maken. Die doorkruist de museumshop op de begane grond. Hier bevindt zich ook de toegang tot de ondergrondse resten van een klooster onder de Beursstraat. Ze waren jarenlang enkel zichtbaar door ramen in een foeilelijk en hinderlijk ‘deksel’ van blauwe steen midden in de straat. Ook nu nog kun je vanaf de straat de ruïnes zien, maar dan via de bijna komieke, her en der verspreide ‘beursmandjes’ in messing.

De eyecatcher in deze dwarsdoorgang zijn de trappen naar de centrale hall: een vernuftige constructie van messingkleurige platte staven die zowel treden als borstwering vormen. Hier ontwaar je al de centrale hall, het hart van het gebouw. Hij verbluft door zijn enorme hoogte en het overvloedige licht dat binnenstroomt via zijramen en de glazen tongewelven langs de centrale koepel. De hall lijkt nu sprekend op een 19de-eeuwse overdekte passage met zaken zoals een brasserie en een café in de zalen eromheen.

Alles is hier piekfijn gerestaureerd, maar het ontwerp maakte kwansuis wel vele doorbraken om de zijruimtes beter bij de hall te betrekken. Ze zijn toch te herkennen, door hun maat en de keuze voor alweer messing. Het vele messing is een gouden greep: de glans en kleur ervan hebben een tover die het effect van het (gerestaureerde) schilderwerk en het vele verguldsel subtiel versterkt. Eén ingreep steekt wel de ogen uit: het gigantische mozaïek dat Valérie Mannaerts inbedde in de nieuwe bruinrode granitovloer. Op de hogere etages onthullen deze vegetale motieven pas al hun subtiliteit.

Daarvoor moet je wel naar het Biermuseum op de tweede en derde etage. Een statige trap in donker graniet voert er via een gat in de muur van de Sint-Niklaaszaal heen. Ruimtelijk is deze opgang erg boeiend. Hij biedt steeds nieuwe perspectieven op de hall en op de omgeving van het gebouw. Ook hier werd de oorspronkelijke architectuur subtiel aangepast aan de nieuwe functie. Vloeren in glassteen werden bijvoorbeeld overdekt, maar wel zo dat het, van onderuit, door kunstlicht, nog altijd lijkt alsof er licht doorheen valt. Het Biermuseum zelf is helaas niet veel zaaks, ondanks mateloos veel schermen en prullaria.

Een etage hoger beland je op het dak van het gebouw. Verscholen achter het timpaan aan de Taborastraat pronkt daar een bierpaviljoen van zo’n 30 bij 12 meter. Het is dan wel bescheiden qua schaal, maar zeker niet qua ambitie: het is meer dan het slotakkoord van je bezoek. Het is ook een architecturale reflectie over de 19de-eeuwse pronkzucht en ondernemingsdrang waarvan het gebouw getuigt. De structuur bestaat volledig uit messingkleurige basisprofielen in de vorm van de in de 19de eeuw zo courante platte staven en T’s. Toen werden ze aan elkaar geklonken tot stoutmoedige structuren. Het paviljoen gebruikt eerder bouten, maar de bravoure is dezelfde: met de simpelste middelen een uiterst complex, zigzaggend dak op flinterdunne pootjes bouwen. De mimicry bereikt haar toppunt in de luifel van grillig zigzaggende lamellen die boven deze constructie zweeft als een zonwering of, gelet op het ruitvormige raster van platte staven dat eronder hangt, een ouderwetse rozentuin.

Techniek en ‘vooruitgang’, de ordewoorden van de 19de eeuw, rijmen hier plots met toverglans, illusie, een sensueel spel van materiaal en licht. Het paviljoen weerspiegelt zo het dubbele gezicht van de 19de eeuw. Die zwoer bij wetenschap of vergaapte zich eraan, maar zwolg tegelijkertijd in nostalgie en bleef blind voor de offers die de vooruitgang sommigen kostte.

Toch hield ik, juist vanwege dit briljante gebaar, een bittere smaak over aan mijn bezoek. Dit gebouw was de ideale plek geweest voor een museum van de door Jacques Brel zo treffend bezongen 19de eeuw in Brussel. De centrale hall kan, met zijn brasserie en café, de ideale opstap zijn naar een tentoonstelling over de realiteit achter dit monument. Ook dat zou toeristen aantrekken, en bovendien had het project dan ook bijgedragen aan een beter begrip van alles waar dit gebouw op deze plek voor stond. Nu slaat de promotie van bier als ‘belgitude’ alles plat. Maar ga toch vooral kijken. Naar de architectuur welteverstaan.

Architect
Borsa:
– Robbrecht en Daem architecten
– Bureau d’Études en Architectures Urbaines
– Popoff architectes
Website
robbrechtendaem.com
beau.brussels
popoffarchitectes.be
Project name BeursBourse

Location Brussels
Programme Sheltered public space, brasserie, restaurant, ticket office, covered market hall with stalls/kiosks, exhibition and seminar spaces, beer experience centre (Belgian Beer World), panoramic bar and archaeological site
Procedure Open Call (Régie Foncière Brussels)

Client City of Brussels
Restoration architect CAZ
Structural engineering Bureau Greisch
Service engineering Bureau Greisch
Acoustics Kahle Acoustics
Lead contractor
– Denys (reallocation and restoration)
– Create
– Potteau
– Bruns
– Mazedia (scenography)
– Renotec (dismantling and demolition)

Completion June 2023
Total floor area 11,318 m2
Budget N/a

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.