Gepubliceerd op 29.02.2024 | Tekst: Chantal Dassonville

Chantal Dassonville was laureate van de Lifetime Achievement Award op de Brussels Architecture Price 2023, aan de zijde van de eerste Vlaamse en Brusselse bouwmeesters bOb Van Reeth en Olivier Bastin. Tot augustus 2022 was ze adjunct-directeur-generaal en hoofd van de Architectuurcel van de Federatie Wallonië-Brussel.

In 1985 ging Dassonville als architecte aan de slag bij het Ministerie van de Franse Gemeenschap (nu de Federatie Wallonië-Brussel). In 2007 richtte ze er de Cellule Architecture op. Die lanceerde architectuuropdrachten en ontwerpwedstrijden voor publieke gebouwen. De oprichting was het startschot van een architectuurbeleid dat tot dan toe afwezig was in Franstalig België. Ze zette zich ook mee in om architectuur als cultuurdiscipline te ontwikkelen. Ze nam het initiatief voor de Franse Gemeenschap om vanaf 1996 deel te nemen aan de Architectuurbiënnale van Venetië, om de beurt met de Vlaamse Gemeenschap.

Chantal Dassonville heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en erkenning van de Waalse en Brusselse architectuur, in België en daarbuiten. In dit artikel blikt ze terug op 20 jaar kwaliteitsarchitectuur in culturele gebouwen.

‘Hoewel ze lange tijd genegeerd werd als cultuurdiscipline, neemt architectuur vandaag een nieuwe plaats in binnen het overheidsbeleid. Het discours blijft echter vaak steken bij uitspraken als: een sterk architectonisch gebaar maken, een grote architect kiezen (met andere woorden: een ster), alsof het gaat om de bouw van nieuwe kathedralen van de 21ste eeuw en het imponeren van sensatiebeluste pelgrims om de economie van in verval geraakte werksteden aan te wakkeren. Dat noem ik dus een armoedige visie. De burgemeester schept ermee op en de burger verheugt zich erover, terwijl hij vergeet dat hij zojuist een kleurloze publieke ruimte doorkruiste, dat hij zijn kind naar een containerschool heeft gebracht en dat hij nog geen contact heeft gehad met de buurman die zes maanden geleden is ingetrokken.’ 1

Wat is er veertien jaar later van die vaststelling geworden? En hoe staat ze in verband met het thema ‘Bouwen voor cultuur – de stad ontwerpen’? Bouwen voor cultuur is de rode draad geweest in mijn professionele parcours bij het Ministerie van de Federatie Wallonië-Brussel. Met uitzondering van ‘Bergen 2015, culturele hoofdstad’ – waar in vesteringen in cultuur en een stadsproject nauw aan elkaar gelinkt waren, althans in het kader van dit evenement – is het niet eenvoudig om een gemeenschappelijke strategie te vinden voor alle steden die zwaar investeerden in culturele gebouwen.

De eerste oliecrisis in 1973 zaaide twijfel. Tegelijkertijd raakten klassieke theaters en conservatoria uit de mode, ze gingen dicht wegens conformiteitsgebrek of omdat ze niet langer geschikt waren als cultuurinstelling. In die tijd kwam ook het fenomeen ‘bezetting ter bede’ op: onwaarschijnlijke locaties zonder bestemming werden ‘bezet’ door toen nog semiongeïnstitutionaliseerde culturele spelers. Zo kwamen geleidelijk verbouwde projecten tot stand: de Hallen van Schaarbeek (Miriam Dubois en Jean de Salle, 1984–1998), de Raffinerie du Plan K (Art & Build, 2004) en de Varia (Zaccai & Levy, 1988) in Brussel, en iets later het MAC’s in Hornu (Pierre Hebbelinck, 2002) en het Fotografiemuseum (L’Escaut, 2008) en de BPS22 in Charleroi (Archiscenographie Filip Roland, 2015, zie A+ 228). Met de institutionele hervormingswetten van 1980 en de oprichting van de Gemeenschappen kwam daar nog een identiteitskwestie bij. Eerst op het vlak van het volledige Franstalige grondgebied, maar geleidelijk ook op het niveau van de steden, die in toenemende mate elkaars concurrent werden.

Als we teruggaan naar de jaren 1970 en wat we in het cultuurambtenarenjargon het ‘Plan Wigny’ noemden (vijfjarenplan voor het cultuurbeleid, 1967), was de strategie duidelijk: grote cultuurinstellingen bouwen voor zoveel mogelijk mensen (zes cultuurhuizen en twaalf regionale culturele centra). Het nam een voorbeeld aan het Plan Malraux in Frankrijk met het doel om levenslang onderwijs te bevorderen (Éducation Populaire in Frankrijk). Dit leidde tot de oprichting van onder meer het proefproject Maison de la Culture in Doornik (Simone Guillissen-Hoa, 1971), het Cultureel Centrum Marcel Hicter (La Marlagne in Wépion, Charles Burton, 1971) en het Maison de la Culture in Aarlen. Die cultuurhuizen zijn stuk voor stuk multifunctioneel en gesitueerd aan de rand van stedelijke centra, of, zoals het geval is bij La Marlagne, zelfs midden in het bos. Ander tijdperk, andere gewoontes, de auto was koning. We kunnen het niet over dit tijdperk hebben zonder het verband te zien tussen die beslissingen en de socio-economische en politieke context die aan het ontstaan van een cultuurinfrastructuur voorafging. Eind jaren 1960 waren de stedelijke centra verarmd, vervallen en niet geneigd om faciliteiten te ontwikkelen met als doel zoveel mogelijk personen de ruimte te geven om cultuuractiviteiten te beleven. Daarom zijn die gebouwen groot, soms heel groot, en niet zelden gekoppeld aan een sportfaciliteit, om onder één dak zowel ontspanning, lichaamsbeweging als cultuur aan te bieden.

Die dynamiek trof in de eerste plaats de culturele gebouwen. De afdeling Cultuurinfrastructuur van het ministerie, verantwoordelijk voor gebouwen die eigendom zijn van het ministerie, maar ook subsidieverstrekker voor lokale overheden, moest alles in goede banen zien te leiden. De projecten die werden ingediend, doorgaans in de fase van voorontwerp (dat wil zeggen met een team van ontwerpers dat al vastlag), waren zo armzalig dat we een wijziging van decreet doorvoerden: een verplicht kwaliteitsproces voor architectuuropdrachten werd opgelegd. (‘Decreet cultuurinfrastructuren’, afgekondigd op 17 juli 2002). Dwang is nooit de gemakkelijkste weg, vooral niet als er verplichtingen worden opgelegd aan lokale verkozenen, die zich in hun autonomie beknot voelen. Maar het is die dwang die, in combinatie met extra subsidies voor de organisatie van architectuuropdrachten en de logistieke steun van de Cellule Architecture (opgericht in 2007), de ontwikkeling van een reeks exemplarische cultuurgebouwen mogelijk maakte: Musée Félicien Rops in Namen (Archiscenographie Filip Roland, 2004), het cultuurcentrum van Andenne (Label architecture, 2015, zie A+ 227), Keramis in La Louvière (Coton-Lelion-Nottebaert-De Visscher & Vincentelli, 2015, zie A+ 225), Préhistomuseum in Flémalle (Aiud, 2016, zie A+ 238), het Folkloremuseum in Moeskroen (V+ / Projectiles, 2019, zie A+ 248 en A+ 285), Trinkhal in Luik (Beguin-Massart, 2020, zie A+ 276), Theater Jean Vilar in Louvain-la-Neuve (Ouest Architecture, 2024, zie A+ 265), …

Zoals ik al zei: de strategie is niet overal dezelfde. Bergen dong mee naar de titel van culturele hoofdstad en om daarvoor in aanmerking te komen moest het zijn bestaande instellingen onderbrengen op zichtbare en representatieve locaties: Manège.Mons (Pierre Hebbelinck, 2006), Maison Folie (Matador, 2006), Arsonic (Holoffe & Vermeersch, 2015, zie A+ 222), Mundaneum (Coton-Lelion-Nottebaert, 2015, zie A+ 245), … Maar Bergen werd ook geconfronteerd met de beperkte omvang van zijn binnenstad en de vererfgoeding ervan. Door de recuperatie van in onbruik geraakte sites enerzijds en radicale ingrepen anderzijds kreeg de stad uiteindelijk een nieuw gezicht. De aanpak was nog ‘soft’, de stad onderging geen structurele verandering. De urban marketing manifesteerde zich vooral aan de stadsrand, met het nieuwe station als grens, en op de site Grands Prés, met projecten die ontsnapten aan een ernstige voorafgaande beoordeling, tenminste wat hun architectuur betreft.

Doornik, een stad die zich bewust is van haar erfgoed en het goed beschermt, heeft haar problemen met betrekking tot cultuurinfrastructuur traag maar gestaag aangepakt. Het begon met de renovatie van het enorme Maison de la Culture (a practice, 2023, zie A+ 240). Daarna volgde het emblematische Musée des Beaux-Arts van Victor Horta (XDGA / Barbara Van der Wee, in uitvoering, zie A+ 261). Ten slotte werd de voormalige pastorie (Tank, 2024) aangepakt, die grenst aan de monumentale kathedraal. De pastorie moet een derde belangrijke locatie worden. Tegelijkertijd buigt de stad zich over meer structurele, stedelijke vraagstukken, waarvoor het een beroep doet op de expertise van de Cellule Architecture. Zo zal de stedelijke as tussen het station en de kathedraal volledig worden vernieuwd (Paola Vigano / Sweco, 2024), zal de Plaine des Manœuvres heraangelegd worden (Pigeon Ochej Paysage / vvv, in uitvoering) en zal een nieuwe voetgangersen fietsersbrug worden aangelegd die toegang geeft tot de wijk Saint-Piat, waar de nieuwe architectuurfaculteit is gevestigd (MSA / Ney, in uitvoering). Die strategie steunt minder op het emblematische karakter van een specifiek gebouw, maar zoekt een evenwicht tussen de verschillende centra en de behoeften van de stad.

Die strategie wordt ook in Charleroi ontwikkeld, op basis van een globale visie die met de hulp van een Bouwmeester vooraf werd opgesteld. Cultuur en stedenbouw worden er in één politieke portefeuille samengebracht om de in verval geraakte stad duurzaam te herconfigureren en een tweede adem te geven.

Hangt de nieuwe identiteit van een stad af van een zus of zo iconisch cultureel gebouw? Veel verkozenen geloven hier nog in. En dat is niet zo vreemd in een tijdperk dat ‘imago’ erg belangrijk vindt. Maar wat mij betreft is urban marketing een achterhaald concept. De stad is geen koopwaar! De stad dient om in te leven.

Het is in het evenwicht tussen de symbolische deugden van een gebouw – waarvan de vorm één maar niet de enige uiting is – en de stedelijkheid die eruit voortvloeit, dat we de basis vinden van een vreedzame, duurzame stad.

1 Fragment uit ‘La pauvreté du regard’, geschreven in 2010 als inleiding op de conferentie over architectuurbeleid (Belgisch voorzitterschap van de Raad van de EU) met als thema: ’Architectuur als vector voor sociale cohesie’.

2 En het Koninklijk Besluit van 5 augustus 1970 tot vaststelling van de voorwaarden voor goedkeuring en toekenning van subsidies aan cultuurhuizen en cultuurcentra, uitgevaardigd door de minister van Cultuur, Albert Parisis. Zie het artikel van José Smet over cultuurhuizen, 1978.

Lees meerVerkleinen

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.