Gepubliceerd op 08.02.2024 | Tekst: Kaat Magnus

Architectuur was altijd al een manier om aandacht te trekken. Romeinse keizers namen stadsdelen onder handen, steeds in competitie met hun voorgangers. Steden legden stadsparken aan om met andere steden te concurreren. De Kerk bouwde kathedraal na kathedraal om hun volgers te imponeren.

Deze bouwdrift zorgde mede voor een vroege vorm van toerisme; bedevaarten. Gelovigen trokken al wandelend landen door om heilige plaatsen of gebouwen te bezoeken. Later ontwikkelde dat toerisme verder. Door economische groei en industriële uitvindingen werd het namelijk steeds makkelijker om onder de kerktoren vandaan te komen en andere gebieden te ontdekken. Interesse voor onder andere historische gebouwen speelde een leidende rol in de keuze van vakantiebestemmingen. Doordat er meer bezoekers kwamen, groeide het belang voor onderhoud, renovatie en opgravingen van patrimonium en werd het bestaande aangevuld met nieuwbouwprojecten. Vooraleerst om nieuwe functies onder te brengen; het stationsgebouw van Antwerpen-Centraal werd bijvoorbeeld gebouwd na de ontwikkeling van de spoorlijnen en dient tot op heden als toegangspoort tot de stad.

Tegenwoordig is toerisme voor vele landen een belangrijk deel van de economische strategie, waarin architectuur meer en meer als instrument gebruikt wordt. Rome en het Colosseum zijn niet los van elkaar te zien, net als Barcelona en de Sagrada Familia en Antwerpen en het MAS. Echter, deze plekken worden door bezoekers vaak anders beleefd dan door bewoners. Het historisch centrum van Rome is zo vol dat ik het als Erasmusstudent vermeed. Ik woon al vier jaar in Antwerpen, maar kom nooit op het MAS. Toch stond het bovenaan mijn lijstje toen vrienden laatst op bezoek kwamen. Hier komen we bij een belangrijk verschil tussen stadsprojecten: de intentie. Is een project ontworpen met oog op de bewoner of op de toerist? Een overdadige focus op de laatste doelgroep brengt namelijk een contradictie met zich mee: het verlies van culturele eigenheid door het te sterk willen benadrukken ervan. Het zijn vaak de gebouwen die uitvergroot op de toeristische kaart staan, die in het stadsleven de kleinste rol spelen.

Dit fenomeen begint vaak bij het ontwerp. Projecten worden meer als kunstprojecten (voor toerisme) dan als gebruiksvoorwerpen (voor bewoners) gezien en missen zo een contextuele gevoeligheid. Zoals musea pronken met hun werk van Picasso, pronken steden met gebouwen van starchitects zoals Zaha Hadid. Het Bilbao-effect leert ons dat net die gevoeligheid essentieel is. Het ontwerp en de bouw van het Guggenheim-museum door architect Frank Gehry was een samenspel; kunstenaars bepaalden mede de indeling en het gebruik, materiaal werd afgestemd op wat er in de regio te krijgen was en lokale rotsklimmers verrichten de arbeid. Dit bespaarde heel wat kosten en zorgde voor een sterke connectie met de bevolking. Veel steden hebben dit effect willen recreëren en zijn gefaald. Waarom? Omdat ze enkel de esthetiek overnamen en het gebruik achterwege lieten. Het belang van toerisme stond boven het belang van de bewoners.

Daarmee komen we op een belangrijke vraag; hoe zien we steden? Zijn het plaatsen om toerisme aan te trekken of zijn het dichtbevolkte woongebieden die het hart vormen van regio’s? Moeten we niet ontwikkelen voor de bewoners en ons focussen op gebruiksschoonheid in plaats van esthetiek? Stevenen we anders niet af op openluchtmusea die onbruikbaar zijn?

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.