Gepubliceerd op 13.03.2024 | Tekst: Pieter T'Jonck

Living and working van Dogma, het ontwerp- en onderzoeksteam rond Pier Vittorio Aureli en Martino Tattara, brengt in één boek tien jaar ontwerpmatig onderzoek samen met een historisch onderzoek. In beide staat de dichotomie centraal die in het Westen ontstond tussen privé en publiek, tussen ‘huis’ en ‘werkplek’. De huiselijke, ‘reproductieve’ arbeid werd zo kwansuis ‘genaturaliseerd’ tot typisch vrouwelijke, onbetaalde ‘liefdesarbeid’.  De paradox is dat het huis vandaag zo niet enkel geacht wordt te beschermen tegen de ‘boze buitenwereld’ maar ook object van speculatieve werd. Zowel de historische studie als de ontwerpen tonen vanuit marxistisch-feministisch perspectief het aanvechtbare en fundamenteel politieke karakter van die opvatting aan.

Dogma vat zijn historische studie, in het spoor van The Dawn of everything van Graeber en Wengrow, bij de jagers-verzamelaars. Ze bouwen dat betoog echter strikt vanuit een studie van overgeleverd planmateriaal op. Dat lezen ze als de ruimtelijke vertaling van een sociale orde. Bij de jagers-verzamelaars ontbrak nog elke notie van eigendom of accumulatie. Ze hadden daar dus ook geen aparte plekken voor. Net zo kenden ze geen aparte ruimtes voor reproductieve arbeid, werk en vita activa. Dit onderscheid ontlenen de auteurs aan Hannah  Arendt. Reproductieve arbeid is de dagelijkse arbeid -wassen, koken, verzorging – die de  groep in stand houdt. ‘Werk’ daarentegen gaat over de productie van uitzonderlijke objecten, van huisgerei tot beelden of teksten. De vita activa tenslotte behelst maatschappelijke relaties. Jagers-verzamelaars brachten deze drie vormen samen in verrassend complexe tijdelijke verblijven.

Pas bij de Grieken zien de auteurs een duidelijke scheiding tussen het privéleven – de sfeer van de vrouw – en de werksfeer en publieke sfeer. Hier ontstaat voor het eerst het beeld van het huis als een haven van rust, onder het toeziend oog van de Heer de huizes. Het Griekse huis drukte dus een sociaal-politieke organisatie uit die niet vrij was van onderdrukking, maar deze als ‘natuurlijk’ voorstelde. Als de Romeinen dat model ontwikkelen voegen ze daar de notie van ‘otium’ aan toe: tijd die je doorbrengt zonder druk van buitenaf. Dat verlangen naar afzondering zou nieuwe vormen aannemen in kloosters en colleges naar Engels model.  Dat leidde tot complexe planvormen, met toenemende functionele verbijzondering. De gang, als verbindend en scheidend element, ontstond hier.

In het leven van de doorsnee Middeleeuwer bleef de scheiding tussen de drie vormen van arbeid echter flinterdun. Enkel de grote stedelijke palazzi konden de logica van functionele differentiatie, met een sterke gradiënt publiek-privé doorzetten. Dat model werd pas in de moderniteit, vanaf de late 17e eeuw, dominant met de ontwikkeling van rijhuizen en appartementen voor steeds kleinere gezinnen. ‘Productie’ verdween daarbij onder dwang steeds meer uit de woonsfeer. Dat proces van ‘domesticatie’ kende echter veel tegenkanting. De Russische revolutionaire architectuur van de vroege jaren 1920 is daarvan een beroemd voorbeeld, maar ook in Europa en zelfs in de USA ontstonden vele tegenmodellen. Het beeld van de ‘geslaagde’ woning dat uiteindelijk zou ‘winnen’ was echter dat van het privé huis dat zich afkeert van de wereld. Dat model werd, o.m via een sociaal woningbeleid, ook aan de lagere sociale klassen opgedrongen toen duidelijk werd dat behoorlijke huisvesting én het uitzicht op een meerwaarde onontbeerlijk was om hen onder de duim te houden.

Vandaag zitten we in een patstelling. Vastgoed werd een speculatief object, met de ligging van een perceel als belangrijkste ruilwaarde. De gebruikswaarde en de politieke betekenis van het ‘klassieke’ huis zijn echter nog zelden onderwerp van discussie. Dogma beweert niet dat het huis als een plek van rust verwerpelijk zou zijn, maar bevraagt de koppeling van de marktwaarde van een woning aan de privatisering van reproductieve arbeid. Die laatste arbeid zou ook anders, meer collectief kunnen georganiseerd worden. De recente belangstelling voor collectieve woonvormen beperkt zich echter vooral tot ontspanningsruimtes. Reproductieve arbeid zoals zorg voor ouderen en kinderen blijft buiten beeld, net zoals alternatieve, niet-speculatieve vormen van eigendom (al winnen coöperatieven en CLT’s schuchter veld). Ook over de integratie van werk- en woonruimtes – afgezien van het spreekwoordelijke ‘bureau’ in een hoek van de woonkamer – wordt weinig nagedacht. Toch zouden de voordelen daarvan, meent Dogma enorm kunnen zijn, omdat ze vormen van wederzijdse hulp en steun mogelijk maken die leven én werken meer bevredigend maken.

The proof of the pudding is in the eating, of course. De veertien projecten in dit boek bieden op dat punt – pun intended – veel food for thought.  Drie projecten illustreren duidelijk de evolutie in de praktijk van Dogma.  Live forever: the return of the factory (2013) is een lineair woonblok langs ongebruikte spoorwegterreinen in Tallin, Estland. De basis van het project zijn cellen van 6*6*6 m, bestemd voor 2 mensen. Die cellen kunnen gekoppeld worden tot grotere gehelen naargelang de nood. Per 5 cellen is er een verticale circulatie. De naam factory verwijst met veel zin voor ironie naar de Machine à habiter van Le Corbusier, met name naar de zelfvoorzienende Unité d’ Habitation in Marseille. Het verschil is treffend: Dogma verruilt de starre organisatie van Le Corbusier voor een even strakke herhaling van dezelfde units. Die is echter, als je abstractie maakt van technische bezwaren, eindeloos aanpasbaar. Het biedt zo een reëel alternatief biedt voor de woning zoals we die kennen.

Longhouse (2021) is een voorstel voor een structuur die in godvergeten zones aan de rand van Rome gemeenschappelijke ruimtes biedt voor werk en zorg. Onderhoud en gebruik gebeuren op collectieve basis. Het project is verwant aan Live forever door de modulaire, niet functioneel gespecificeerde organisatie, maar verschilt ervan in de zorg voor de technische uitwerking, tot en met de aandacht voor klimaatbeheersing en constructie. Je ziet zo hoe het gebouwd kan worden en kan functioneren.

Zeer herkenbaar voor Belgen is The opposite shore (2021), een project voor de herontwikkeling van de versnipperde vallei van de Dender. We schreven er eerder over naar aanleiding van de presentatie van het project op de Biënnale van Venetië in 2021. Het is een prikkelende, niet eens ondenkbare, propositie voor functioneel flexibele woon-werkstructuren met een sterke collectieve component die geleidelijk het versnipperde verkavelingslandschap overnemen.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.