Gepubliceerd op 29.11.2023 | Tekst: Bart Tritsmans

In 2023 bestaat A+ 50 jaar! Om dit te vieren bieden we in elk nummer een unieke blik op ons rijke tijdschriftenarchief, aan de hand van een heruitgave van enkele oude artikels die aansluiten op de thematiek van het laatste nummer.

Inclusie is een veelbesproken thema in de samenleving. Geregeld ontstaan debatten over het politieke karakter van inclusie, en wordt de uitholling van het begrip aangekaart. In de architectuursector impliceert een inclusieve benadering onder meer aandacht voor diversiteit en intersectionaliteit, een nieuwe aanpak van complexe sociale programma’s en het betrekken van verschillende actoren in het ontwerp- en bouwproces. De sector wordt echter ook geconfronteerd met de inclusiviteit van het eigen beroepsveld, met de wijzigende rol van de architect, en met de vraag naar een open dialoog met de samenleving. Een terugblik in het archief toont dat A+ deze thema’s in het eerste decennium (1973-1982) nadrukkelijk, en vaak als een politiek statement, op de agenda plaatste.

In de hedendaagse architectuurwereld toont inclusie zich in vele vormen. Feministische initiatieven die aansluiting zoeken bij collectieven als Matrix uit de jaren 1980 pleiten voor radicale hervormingen, de rol van de architect wordt door nieuwe praktijken en organisatievormen in vraag gesteld, en er wordt nagedacht over de lokale verankering van complexe sociale programma’s. Voorbeeldprojecten zoals Caritas (DVVT), Huis Perrekens (Nu Architectuuratelier), Coda (Noa Architecten) en Parkfarm (Alive architectuur) werden ontwikkeld vanuit het perspectief van, en in samenwerking met, gebruikers en streven naar de integratie van sociale programma’s. Door de inclusieve aanpak en het alternatief ontwerpproces dragen de projecten een impliciete of expliciete politieke boodschap uit.

Inclusie als politiek statement

In A+261 (Re)politicize! stelt Pieter T’Jonck dat er weinig over de politieke dimensie van architectuur wordt gesproken.[1] Wim Cuyvers merkt op dat “architectuur die werkt vanuit of voor een politiek alternatief wordt aanzien als politiek, terwijl architectuur die werkt voor de macht – voor het door de meerderheid aanvaarde centrum – aanzien wordt als niet-politiek.”[2] Het bevragen van de positie van bepaalde individuen, groepen en voorzieningen in de samenleving, het herevalueren van de rol van gebruikers in het ontwerpproces en het herijken van de functie van de architect leiden onvermijdelijk tot een activistische ontwerppraktijk. Een blik op het eerste decennium van A+ toont dat deze thema’s niet nieuw zijn, en dat A+ sterke standpunten innam over inclusie (in een periode voor de inburgering van het begrip).

Verontwaardiging over vervreemding

A+ werd opgericht kort na de omwenteling van 1968, tijdens de oliecrisis van 1973, midden in de tweede feministische golf, en in een periode die door toenmalig CVP-minister Rika De Backer – Van Ocken werd bestempeld als ‘de groene jaren zeventig’, omdat ze volgens haar naast crisis ook hoop, creativiteit en menselijkheid verbeeldt.[3] In de architectuursector wordt de openheid (en de crisis) in de maatschappij weerspiegeld door ontwerpen die samen met gebruikers tot stand kwamen, collectieven die anders aan architectuur wilden doen, en nieuwe benaderingen van complexe maatschappelijke opgaves, zoals gevangenissen, opvangcentra en psychiatrische instellingen. Met een houding die tegelijk optimisme en verontwaardiging uitdrukt, streden architecten tegen de vervreemding van mens en leefomgeving. Zo is nummer 0 van A+ een manifest voor een inclusievere en meer open benadering van architectuur. Het tijdschrift ambieerde om een dialoog tot stand brengen tussen ontwerper en publiek.[4] Jan Bruggemans, die samen met Danielle Neys hoofdredacteur was van A+, schreef in 1975 dat er een periode was aangebroken waarin men bereid was om de mens te accepteren en te stimuleren als volwaardig deelnemer. “Het vernieuwende in de architektuur”, zo betoogt hij, “is nu juist dat architekten, die zich bewust zijn van de breuk tussen hen en de basis, zoeken naar alle middelen om opnieuw kontakt te krijgen met het leven. (…) Binnen de architectuur moeten we de andere erkennen op basis van gelijkheid.”[5] De bijdragen in dit artikel zijn vaak onomwonden activistisch: er wordt een pleidooi gehouden voor een inclusievere architectuur.

Sensibiliseren en provoceren

De menselijkheid van de architectuur was een centraal thema in A+. Jean-Paul Laenen, die in 1972 samen met b0b Van Reeth en Marcel Smets de werkgroep Krokus oprichtte, hekelt architectuur en stedenbouw die vervreemd zijn van de gebruiker. Ze creëren volgens hem “symbolen van orde, macht en prestige. (…) Ruimten vol taboes, eenduidig en selektief gedacht, schakelen ze het leven uit.”[6] Laenen citeert onder andere George Orwell en Aldo (maar niet Hannie) Van Eyck, en sluit zich aan bij Giancarlo de Carlo, die ervoor pleitte om het traditionele waardensysteem te vervangen door participatie. Ook bij Krokus stond de betrokkenheid van de bewoners centraal: “Jong en oud, wit en zwart, gewoon en ongewoon, meer en minder, groot en klein.” Laenen vindt het de plicht van een ruimtelijke ontwerper om te provoceren en te sensibiliseren.

Geweldloze stedenbouw

In 1976 wijdde A+32 een dossier aan de wedstrijd voor het Klein Begijnhof in Mechelen dat werd ingeleid door een vlammende kritiek van Francis Strauven op de beslissing van de wedstrijdjury om het voorstel van Krokus, “de enige inzending die gebaseerd was op een waarachtig begrip van de bestaande situatie en op een procesmatige ontwikkeling vanuit een aktieve deelname van de betrokken bewoners” laatst te rangschikken.[7] Het dossier werd afgesloten met een analyse getiteld “Naar een geweldloze stedebouw?”. Als ‘observator’ maakte Alfons Hoppenbrouwers een analyse van de wedstrijd voor de stadsvernieuwing (voordien krottensanering genoemd). Stad Mechelen had volgens de observator een voorbeeldfunctie om aan te tonen dat een geweldloze stedenbouw kon bestaan, waarbij “minder begunstigde stadswijken gewoon hersteld en onderhouden worden zonder onmiddellijk een bron van spekulatie te worden en zonder dat de oorspronkelijke bewoners weggejaagd worden naar…”.[8]

Inkapseling

In de periode 1978-1980 belichtte A+ de inclusie van verschillende groepen in de samenleving onder wie ouderen, mensen met een beperking en kinderen. In het editoriaal bij het nummer over ouderen, licht Sieg Vlaeminck de uitdagingen voor de vergrijzende samenleving toe. De vraag die A+ stelt is hoe er in alle gemeentes werk gemaakt kon worden van een structuurplan dat zou voorzien in geïntegreerd wonen voor ouderen, en dat in contrast stond met het bouwen van “majestueuze bejaardensilo’s of zelfs kleine bejaardendorpjes”.[9] In de evaluatie van enkele projecten benadrukt Vlaeminck, gesteund door de inzichten van socioloog Johan Vandenabeele, het belang van een gebouwde omgeving die het sociaal functioneren van de bewoners uitlokt en ondersteunt. Hij kant zich tegen “‘een clean-getekend-ontwerp’; teveel ‘Architektuur’ dus!”,[10] en besluit dat ondanks de kwaliteiten van de projecten “oud worden in onze maatschappij, willens nillens, een inkapseling is.”[11] Het besluit dat ouderen uit hun isolatie gehaald moeten worden – dat in de hedendaagse maatschappij erg actueel is – vormt ook in het nummer over personen met een beperking de rode draad.

Vóór, dóór of met gebruikers?

Het editoriaal van Jean De Salle doet de lezer aanvankelijk schrikken: “Nog maar eens een tijdschrift dat een extra-nummer wijdt aan de problemen van de gehandikapten! Sommigen zullen wellicht zeggen: genoeg! Tot wat dient het?”[12] Het themanummer wilde aan beleidsmakers en architecten duidelijk maken dat de voorzieningen en het wettelijke kader tekortschieten. Bovendien kaartte De Salle de afstand tussen de ontwerpers en de uiteindelijke gebruikers aan. In niet mis te verstane bewoordingen stelt hij de vraag: “Heeft de ontwerper, de architekt-“schepper” alles zelf uitgedacht voor het welzijn van de gehandikapte (…)? Worden de projekten bedacht vóór de gehandikapten of dóór de gehandikapten, of door een verstrengeling van beide vertrekpunten?”[13] De Vriendschapswijk in Sint-Pieters-Woluwe, een autovrije wijk met sociale woningen en woningen voor mensen met een motorische beperking, wordt uitgebreid besproken. Op basis van gesprekken met bewoners besluiten Danielle Neys en Jacques Aron dat de ontwerpers “zich op de smalle weg hebben begeven langs waar de idealen voor een broederlijker maatschappij, stilaan in realiteit worden omgezet.”[14]

Architect zonder aureool

Net als in de dossiers over ouderen en personen met een beperking leiden ook kinderen onder “ruimtelijke en maatschappelijke afzondering”,[15] aldus Marc Gossé in A+ 65. Hij pleit ervoor om ruimtes te creëren die niet specifiek voor kinderen ontworpen zijn, zodat er een element van spanning, angst en ontdekking blijft bestaan. Hij pleit voor een vernaculaire architectuur, “die niets te maken heeft met de rol die vandaag aan architekten wordt toebedeeld: die van politieagenten, uitgedacht door het liberalisme om de alledaagse ruimte onder toezicht te houden.”[16] “De ‘rol’ die de architekt vervult, wordt best ontdaan van zijn aureool door geruime tijd te praten met de groep kinderen.”[17]

Bouwen is macht

In een analyse van architectuur voor psychiatrische centra, argumenteert de jonge architect-onderzoeker Edilbert Haentjens in 1982 dat bouwen macht is, en dat architecten en opdrachtgevers bijzonder voorzichtig met die macht moeten omgaan.[18] Architecten moeten zich ervan bewust zijn dat ze als vormgevers van de leefomgeving aan politiek doen, “niet in de zin van partij-politiek, maar in de zin van politeia. (…) Het gaat om de polis waar we met zijn allen mee bezig zijn.”[19] Wanneer Wim Cuyvers in 2016 waarschuwt dat “[architectuur] werd bedacht om de macht een plaats te geven”,[20] en Gideon Boie besluit dat architectuur “vorm [moet] geven aan de mensenstad, de polis waarin wij leven”,[21] is het opmerkelijk hoe nauw hun betoog aansluit bij de benadering van de artikels over inclusieve architectuur uit het eerste decennium van A+. Hoewel de artikelen tot stand kwamen in een erg verschillend maatschappelijk paradigma, schemert het activisme van de jaren 1970 door in het pleidooi voor een inclusieve architectuur, waarbij de rol van de architect in vraag gesteld wordt en de betrokkenheid van de diverse gebruikers wordt versterkt.

Intersectionaliteit

Een opmerkelijke vaststelling is dat er in het bestudeerde decennium nauwelijks aandacht is voor vrouwen in de architectuursector. De auteurs van de artikelen en de ontwerpers van de getoonde projecten zijn zo goed als uitsluitend mannen. Maar ook in bijdragen over de inclusie van maatschappelijke groepen wordt geen aandacht besteed aan feministische projecten, terwijl er in de maatschappij tijdens de tweede feministische golf talrijke initiatieven genomen werden. Het is veelzeggend dat zelfs in het internationaal jaar van de vrouw, 1975, enkel in de rubriek design naar vrouwelijke ontwerpers wordt verwezen,[22] en dat in het eerste decennium van A+ enkel in een artikel over keukeninrichting specifiek naar de betrokkenheid van vrouwen in het architectuurdebat verwezen werd.[23] In 2023 wijdde ARCH+ een nummer aan “Contemporary Feminist Spatial Practices”. In de edito verbaast de redactie zich erover dat er sinds 1981 geen nummer meer werd gewijd werd aan feminisme. Ondanks de recente aandacht voor inclusie blijkt dat feminisme, en breder beschouwd intersectionaliteit, een perspectief is dat onderbelicht is in de architectuursector.

 

[1] Pieter T’Jonck, “Edito”, A+261, 2016, 41.

[2] Wim Cuyvers, “Politiek van ik-architectuur”, A+261, 2016, 57-59; 58.

[3] Rika De Backer-Van Ocken, De groene jaren zeventig, De Nederlandse Boekhandel, Antwerpen, 1978.

[4] Dan. N. Craet, “Ter Overweging”, A+0, 1973, p.17-18.

[5] Jan Bruggemans, “Gaan gebouwen of mensen ons bevrijden”, A+ 17, 1975, 11.

[6] Jean-Paul Laenen, “Onze dagelijks omgeving… van vervreemding”, A+ 6, 1974, 20-26; 21.

[7] Francis Strauven, “Renovatie en Participatie”, A+32, 1976, 53-56; 54.

[8] Alfons Hoppenbrouwers, “Naar een geweldloze stedebouw?”, A+32, 1976, 91-95; 95.

[9] Sieg Vlaeminck, “Bejaarden wonen… wonen zijn?”, A+54, 1978-1979, 2.

[10] Sieg Vlaeminck, Dienstencentrum voor bejaarden te Ekeren”, A+54, 1978-1979, 14.

[11] Sieg Vlaeminck, Bejaardentehuis te Scheldewindeke”, A+54, 1978-1979, 21.

[12] Jean De Salle, “Architektuur en gehandikaptenzorg”, A+60, 1979, 7.

[13] Jean De Salle, “Architektuur en gehandikaptenzorg”, A+60, 1979, 7.

[14] Jacques Aron, “De Vriendschapswijk geeft het voorbeeld”, A+60, 1979, 21.

[15] Marc Gossé, “Kind en leefmilieu”, A+65, 1980, 7.

[16] Idem, 9.

[17] André Paulus, “Het kind in de wereld van architekten, een architekt in de wereld van het kind”, A+65, 14-15.

[18] Edilbert Haentjens, “Psychiatrie en samenleving”, A+78, 9-10.

[19] Edilbert Haentjens, “Psychiatrie en samenleving”, A+78, 9-10.

[20] Cuyvers, “Politiek van ik-architectuur”, 58.

[21] Gideon Boie, “Architectuur met schaduw”, A+261, 2016, 45-47; 47.

[22] A+16 1975, p. 3.

[23] A+63 1980 p. 26.

Lees ook

Schrijf je in op onze nieuwsbrief
  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.