Hedendaags paradigma

gepubliceerd op 10.12.2013 | tekst Audrey Contesse

Nieuw bij de tiende editie van de Belgische Prijs voor Architectuur & Energie is dat er naast de laureaten van de vijf categorieën ook een overkoepelende laureaat is. Terwijl alle nominaties gebeurden in een sfeer van eensgezindheid, werd de keuze van de ‘grote laureaat’ voorafgegaan door een vinnig debat.
De 345 projecten die werden ingediend voor de Belgische Prijs voor Architectuur, werden bekeken door een internationale jury die bestond uit Luc Dutilleux (Artau), Nicolas Firket (NFA Office), Oscar Rommens (import.export Architecture), Leo Van Broeck (Bogdan & Van Broeck Architects), Eric Van Overstraeten (Atelier-lieux-et-traces) en Steven Verbeke (Voltarchitecten). De 95 die daarna overbleven, werden beoordeeld door Emanuel Christ (Christ & Gantenbein, Basel), Shelley McNamara (Grafton Architects, Dublin) – Edouard François (Parijs) heeft op het laatste moment afgezegd – en drie Belgische architecten (één per Gewest) uit de nationale jury, namelijk Oana Bogdan (Bogdan & Van Broeck Architects), Luc Dutilleux en Oscar Rommens. Op 5 juni werd men het in het Architects’ House in Brussel eens over één Belgische Prijs voor Architectuur, één laureaat voor elk van de vijf categorieën, één bijzondere vermelding van de jury en vijftien genomineerden.
Beide jury’s moesten vaststellen dat het niveau van de ingediende projecten erg hoog lag. Voor de internationale jury was het duidelijk dat de Belgische architectuur nu van een niveau is die in Europa uitzonderlijk mag worden genoemd, een beetje zoals de Zwitserse architectuur in de jaren 1990-2000.
Hoewel het niveau in alle categorieën hoog ligt, merkte de internationale jury toch op dat woonwijzen en ruimtelijke configuraties in de categorie ‘groepswoningen’ minder uitgesproken ter discussie worden gesteld. Komt dat door de combinatie van hoge normen en een beperkt budget? Door de huiverige houding van de bouwheren? Diezelfde jury was ook een beetje van haar stuk omdat de programma’s in de categorie ‘niet-residentieel privé’ zo verschillend van aard waren dat vergelijken moeilijk werd. De projecten die haar het meest konden bekoren, waren te vinden in de categorie ‘niet-residentieel publiek’: daar koos ze een laureaat en kende ze ook nog eens een bijzonder vermelding toe.
Bij het selecteren van de laureaten koos de jury voor “projecten die met specifieke antwoorden inspelen op complexe plaatsen. Ze zijn als antwoord niet vanzelfsprekend, maar zijn wel een antwoord als zodanig.” De leden waren het onderling vrij snel eens over de keuze van de laureaten.
Er werd wel vinnig van gedachten gewisseld toen de laureaat van de Belgische Prijs voor Architectuur moest worden aangeduid. Onder de vijf categorielaureaten waren er twee projecten met vergelijkbare architecturale kwaliteiten en een vergelijkbaar eindresultaat in het geding: de Elishout Keukentoren in Anderlecht en de Stadshal in Gent. Met het toekennen van de Prijs aan de Keukentoren zou de jury de nadruk gelegd hebben op “de vormelijke radicaliteit van het project, het ter discussie stellen van de aanvankelijke organisatie van het programma en de strijd die moest worden geleverd om de toren te kunnen oprichten. In die zin is het project exemplarisch voor de Belgische context met zijn teveel aan slechte torenprojecten en doorprikt het de negatieve aura waarmee deze torens in de ogen van politici nog steeds omgeven zijn.”
De Stadshal noemt de jury niet alleen “een plek voor de gemeenschap, een plek die zonder iets op te dringen anticipeert op haar gebruik – wat als aanpak voor een architect vrij uniek en bijzonder moedig is”, maar ook een project “met een kostbare poëtische dimensie. De hal is een unieke ruimte, biedt beschutting en laat je niet ongevoelig. Ze is een monument in de positieve zin van het woord: ze brengt de stad tot leven.”
Deze uitverkiezing is meer dan de bekroning van een architectuurproject. Ze is evenzeer een boodschap aan architecten, overheden en politici. Uiteindelijk werd de Stadshal gekozen omdat ze “het meest representatieve project is van de categorielaureaten en als zodanig typischer voor de plaatselijke situatie. De toren is veeleer – in positieve zin – een heroïsche krachttoer van de modernistische en functionalistische ideologie. De Stadshal is architectuurgeschiedenis die een plaats vindt in een context, een kenmerk van een plek ontdekt en haar – niet zonder trots – opwaardeert. Omdat ze inspeelt op de bouwlagen van de stad is ze een meer hedendaags paradigma dan het Keukentorenproject.”
Deze keuze geeft tevens aan hoe belangrijk het was ook de openbare ruimte in deze Prijs op te nemen. Die bekleedt immers een volwaardige plaats in het architecturale denken en stimuleert de reflectie over de ruimte op kleinere schaal: “Deze keuze is net zoals de bijzondere vermelding een eresaluut aan de kwaliteitsvolle collectieve ruimte en aan een niet-gebruiksgerichte architectuur. De politici moeten begrijpen dat dit soort ruimte onontbeerlijk is en dat zelfs de gebouwen van groepswoningen dit soort ruimtelijke kwaliteit moeten hebben.”

schrijf je in voor de nieuwsbrief