Een herinnering uit de lente van 1968 in Brussel

gepubliceerd op 12.09.2016 | tekst Francis Strauven

Hertzberger

Ik heb hem voor het eerst ontmoet toen hij in april 1968 met een groep Delftse studenten Brussel bezocht. Ik trof de groep aan voor het hotel Solvay, samendrommend rond een mannetje in een zwartleren jekker dat gedreven en expressief gebarend het gebouw aan het ontleden was. Ik luisterde geïntrigeerd en naarmate ik luisterde werd ik door de spreker attent gemaakt op zaken die ik, hoe geïnteresseerd ook in Horta, nooit gezien had en waarover ook nergens in de betreffende vakliteratuur sprake was. Herman Hertzberger wees op de wijze waarop Horta verbindingen legt, tussen de verschillende bouwonderdelen en materialen, tussen gebouw en straat. Hij toonde hoe de blauwe hardsteen van de gevel overvloeit in die van het trottoir en wees toen naar de stoeprand met de bedenking: ‘hier houdt het gebouw ietwat abrupt op’. Voorts analyseerde hij de smeedijzeren hekkens als dynamische composities van afzonderlijke elementen, als een vroege vorm van ‘elementarisme’, en legde hij op deze wijze een verrassend verband tussen de Brusselse art nouveau en de Nederlandse Stijlbeweging. Wat in de literatuur als oppervlakkige en overbodige decoratie werd afgeschilderd, kreeg plots een fundamentele structurele betekenis.

Een dag later gaf hij in het Sint-Lucasinstituut te Schaarbeek een informele voordracht over de bronnen van het modernisme. Hij besprak werk van Horta, Wright, Chareau en Le Corbusier maar benaderde dat niet in de termen van functie en vorm die toen in Schaarbeek gangbaar waren, maar in termen van beleving en relaties. Hij ging gedetailleerd in op de gebouwen die hij met grote 6×6 diapositieven toonde. Hierbij had hij het ook niet over autonome formele kwaliteiten maar trok hij de aandacht op de betrekkingen tussen de bouwonderdelen en de wijze waarop ze de gebruiker van plek tot plek mentaal begeleiden. Wat mij toen vooral trof was zijn analyse van de inkomhal van het Pavillon Suisse, in het bijzonder zijn interpretatie van het bordes dat naar het trappenhuis leidt. Op deze overloop die 6 treden boven de vloer hangt krijgt de bezoeker door het glas boven de gesloten wand een zicht op de gemeenschappelijke woonruimte zodat er een mogelijkheid tot wederkerig contact ontstaat tussen beide plekken. De voorbijganger op het bordes ziet de personen in het zaaltje en vice versa, ze kunnen elkaar groeten of teken doen. De aandacht voor dit soort enscenering van betrekkingen was geheel nieuw voor de Vlaamse aanwezigen, hoezeer ze ook met de vormwereld van Le Corbusier vertrouwd waren. De inzichten die Herman Hertzberger toen, vlak voor mei ’68, in Schaarbeek te kennen gaf, waren stuk voor stuk eye-openers waarover nog veel werd nagediscussieerd en waarvan sommige op termijn een duurzame uitwerking hadden. Zo komt het mij voor dat zijn concepten van polyvalentie en interpretabiliteit aan de wortel liggen van het door onze Vlaamse Bouwmeester bOb Van Reeth gehuldigde opvatting dat gebouwen ‘intelligente ruines’ behoren te zijn zodat ze in de loop van de tijd plaats kunnen bieden voor een wisselend gebruik. In zijn voordracht belichtte Hertzberger ook deze concepten, die hij in ‘Forum’ had geïnitieerd. Hij stelde dat een gebouw niet neutraal en flexibel behoort te zijn, maar dat het, net als een stuk (klassieke) muziek een vaste vorm dient te hebben met een zodanig potentieel dat elke gebruiker het op zijn manier kan interpreteren. Terwijl omgekeerd het gebouw, net zoals het muziekstuk, zijn latente rijkdom onthult naarmate het door meer gebruikers op een persoonlijke wijze wordt geïnterpreteerd. Pas later vernam ik dat Herman Hertzberger zelf een voortreffelijk pianist is – en nog later kon ik enkele keren het genoegen smaken samen met hem quatre-mains te spelen.

Vele architecten houden van muziek maar slechts weinigen blijken in staat iets van hun muzikale ervaringen en inzichten om te zetten in architectuur. Des te meer bewondering verdienen dan ook de Montessorischool en Centraal Beheer die met hun geometrische oermotieven en hun configuratieve structuur van in elkaar grijpende thema’s ware equivalenten van een Bachse fuga vormen.

schrijf je in voor de nieuwsbrief