EDITO A+281

gepubliceerd op 18.11.2019 | tekst Lisa De Visscher

Stilte is breekbaar, zo wil de overlevering. Zodra je haar naam uitspreekt, verdwijnt ze. Stilte-architectuur is een contradictio in terminis: een robuuste, onverplaatsbare structuur die het ongrijpbare zou moeten huisvesten. Toch bestaat ze, de stilteplek. Intuïtief wordt ze vaak in verband gebracht met religie: een plek om je terug te trekken en in stilte te bidden of na te denken. Toch was een kerk traditioneel een levendig huis vol lawaai. Pas sinds de oprukkende secularisering van onze westerse maatschappij en de bijbehorende leegloop van de kerken, moeten we het doen zonder de donderpreken, galmende orgels, knapenkoren, jubelgezang en biddende massa’s.

Stilte in de architectuur is echter meer dan de afwezigheid van lawaai. Ze ligt vervat in de architectuurtaal van een gebouw, in de manier waarop het architectonisch vocabularium wordt ingezet, in het broze evenwicht tussen de ruimtelijke verhoudingen, materiaalgebruik en lichtinval. Sommige programma’s lijken daarom meer aanleiding te geven tot een specifieke architectuurtaal. Sacrale architectuur, gedenkplaatsen, crematoria en begraafplaatsen zijn stuk voor stuk plekken die de mens geborgenheid bieden op een ingrijpend moment in zijn of haar bestaan. Momenten waarop we ons bewust zijn van de vergankelijkheid en breekbaarheid van het leven, van de verhouding tussen de tijd en de geschiedenis.

Emmanuel Caille vraagt zich in de laatste uitgave van d’Architecture, die een reeks crematoria in België belicht, heel concreet af wat het verband is tussen de strakke architectuurtaal en het morbide programma. Koesteren architecten echt een fascinatie voor het sacrale en de dood? Of misschien geven deze programma’s gewoon meer ruimtelijke mogelijkheden? Toch duiken vandaag nieuwe typologieën op die dichter staan bij een hedendaagse vorm van verstilling. Jolien Naeyaert onderzoekt hoe dit zich vertaalt in het vocabularium van de architect. In gesprek met onder anderen Tom Thys, Marie-José Van Hee en Wim Goes gaat het juist níét over sacrale of sepulcrale architectuur, maar over woningbouw, scholen en culturele centra. Zoals de eigen woning van Van Hee, waar je stilte terugvindt in evenwicht, ritme en herhaling – in “detaillering die juist probeert geen detaillering te zijn”. Stille architectuur kun je niet verengen tot een architectuurstijl of een specifiek register in de vormentaal. Of zoals Thys het formuleert: “Het is niet zo dat wij systematisch alleen ‘stille’ of ‘luide’ gebouwen realiseren, maar eerder gebouwen die de mogelijkheid in zich dragen om beide te kunnen zijn.”

Feit is dat een gebouw, hoeveel rust ook uitgaat van compositie en ruimtelijkheid, een erg persoonlijke en – bij woningbouw – vooral private aangelegenheid blijft. Onze steeds drukker wordende maatschappij vraagt ook om stilte en vertraging op stedelijk en vooral publiek niveau. Geert Peymen en Pleuntje Jellema voerden een ruimtelijk onderzoek naar stilte, rust en verstilling in de stad en definieerden hierbij een nieuwe typologie: de Luwteplek. “Elke stad heeft waardevolle publieke, semipublieke en private (rest)ruimten die het potentieel hebben een luwteplek te zijn. (…) We zien luwteplekken als verbindende huiskamers voor de stad.” Niet alleen de overprikkelde stadsbewoner, maar ook de stad zelf is hiervoor vragende partij. Steden zoals Gent en Mechelen brachten hun luwteplekken al in kaart en publiceerden ze op hun website. Nu maar hopen dat niemand het leest. Of het is er gedaan met de stilte.

A+281 Silence
20 € | Bestel een exemplaar of abonneer u vanaf € 49 / jaar !

schrijf je in voor de nieuwsbrief