Edito A+280

gepubliceerd op 07.10.2019 | tekst Lisa De Visscher (A+), Stefan Devoldere (UHasselt), Peggy Totté (Architectuurwijzer) 

Vele Belgen wonen in een alleenstaande villa op de buiten. Dat werd hier immers vanaf de jaren 1950 sterk gestimuleerd vanuit de overheid, met als gekend gevolg een sterk versnipperde en steeds meer dichtgeslibde regio. Die overheid denkt er intussen anders over. Sinds twee decennia vertelt elk ruimtelijk beleidsplan ons dat we dichter bij elkaar moeten gaan wonen op goed bereikbare plaatsen. De verkavelingsfermette heeft afgedaan, maar in de stad wordt het steeds harder zoeken naar een betaalbare en comfortabele woning.

De tijd lijkt rijp om onze woondroom bij te stellen en een nieuw ideaal op te bouwen waarin bereikbaarheid, gezin en buitenruimte verenigbaar zijn. Collectiviteit kan daarbij een sleutel aanreiken, zowel in de woontypes als in de productie en het beheer. Maar wat betekent dit concreet? Welke ruimtes worden wel en niet gedeeld? Wonen we dan kleiner? Hoe organiseren bewoners zich? En welke rol spelen architect en bewoners bij zo’n ontwerpproces met inspraak? Kunnen we al spreken van een nieuwe collectieve architectuur? Deze vragen waren de aanleiding voor Architectuurwijzer, een culturele architectuurvereniging uit Limburg, om het collectief wonen in Vlaanderen en Brussel in kaart te brengen. Resultaat is de tentoonstelling ‘Housing Apart Together’ in het Genkse C-mine en het STAM te Gent, en dit themanummer in samenwerking met A+ en de UHasselt.

We gingen op zoek naar goede voorbeelden van collectieve woonprojecten in een land met bitterweinig traditie. Binnen de religieuze architectuur zijn hier wel kloosters en begijnhoven gebouwd waar zusters of begijntjes een leefplek deelden, en op het platteland was het samenwonen met meerdere generaties op de boerderij lange tijd de norm, maar verder dan een korte opleving in de jaren 1920 met de Brusselse tuinwijken Le Logis en Floréal, komt het historisch overzicht niet.

Er is ook weinig animo bij de bevolking. Een recente peiling in het ruimterapport Vlaanderen leert ons dat het delen van een atelier of werkplek slechts door 33% van de ondervraagden wordt overwogen, een wasplaats door 26% en een tuin door 23%. De meeste mensen willen hun thuis niet delen uit vrees voor het verlies van privacy, voor de gedeelde verantwoordelijkheid, de nood aan afspraken en het gebrek aan flexibiliteit. Architecten zijn nochtans erg creatief in het uittekenen van nieuwe collectieve woonmodellen, maar daarmee is nog niet elke opdrachtgever of bewoner overtuigd. Die weerstand is begrijpelijk, maar niet noodzakelijk gegrond.

Dit nummer verzamelt recent gerealiseerde of ontworpen woonprojecten die ons nu al antwoorden kunnen aanreiken op de vragen die een brede mentaliteitsverandering voorlopig in de weg staan. Het gaat zowel over gestapelde of geclusterde nieuwbouwwoningen als over de renovatie van bestaande gebouwen, en dit zowel in dorpen als in steden. Bewoners waarderen in de eerste plaats een grote collectieve buitenruimte waar samen of apart wordt gezeten, gegeten, gespeeld, getuinierd. Trappen of gangen blijken extra bruikbare buitenruimte. Binnenin wordt een wasruimte gedeeld, een fietsenstalling, een polyvalente zaal, een speelzolder, leefruimte of keuken. Kortom, we zien een nieuwe vorm van samenwonen ontstaan waarin privacy voldoende ruimte krijgt en bewoners vaak genieten van een gedeelde luxe of het praktische comfort van gedeelde taken. Een aanzet voor een nieuwe woondroom.

A+280 Collective Housing
25 € | Bestel een exemplaar of abonneer u vanaf € 49 / jaar !

schrijf je in voor de nieuwsbrief