Edito A+279

gepubliceerd op 23.09.2019 | tekst Lisa De Visscher

Aan het begin van elk nieuw schooljaar woedt traditioneel een fel debat over de toekomst van het onderwijs. Ook dit jaar laaiden de gemoederen hoog op, en daar zijn veel goede redenen voor. Volgens de PISA-rapporten bengelt het niveau van het onderwijs in Franstalig België al jaren helemaal onderaan de lijst van de landen binnen de westerse wereld. Vlaanderen, dat op het gebied van onderwijsprestaties in 2003 nog tot de absolute wereldtop behoorde, vliegt bij elke nieuwe studie een paar banken achteruit. Vlaams onderwijsminister Hilde Crevits reageerde afgelopen voorjaar al meteen met de aankondiging van nieuwe hervormingen die deze maand in voege treden én een pak meer middelen. In de Franstalige gemeenschap werd voor de zomer het pacte d’excellence gelanceerd waarin onder andere het zittenblijven aan banden wordt gelegd dankzij een beter begeleiding van elke leerling. Bovenop de slechte PISA-punten komen nog eens een schrijnend gebrek aan leerkrachten, gekibbel tussen de onderwijsnetten en een groeiend capaciteitsprobleem.

Om aan dit laatste probleem tegemoet te komen werd een aantal jaren geleden een inhaalbeweging in gang gezet met de bouw van honderden scholen tot gevolg. Het programma ‘Scholen van Morgen’, een publiek-private samenwerking begeleid door het team van de Vlaams bouwmeester, zorgt voor nieuwe, kwalitatieve gebouwen in Vlaanderen. Ook in Wallonië timmert men verder aan de weg en in Brussel, waar het gebrek aan plaatsen het meest nijpend is, begeleidt de Brussels bouwmeester de procedures voor zowel Nederlandstalige als Franstalige scholen.

Deze inhaalbeweging resulteert in een nieuwe generatie schoolgebouwen die zich duidelijk onderscheidt van haar voorgangers. De school van morgen moet zoveel meer zijn dan de rits klassen, met gang en een turnzaal/refter waarin de ouders van nu hun schooltijd hebben doorgebracht. Ook de compositie van een doorsneeklas veranderde drastisch.

Anderstaligheid en de invoering van het m-decreet, waarbij andersbegaafde kinderen niet meer het buitengewoon onderwijs volgen maar meelopen in het klassieke traject, leidt tot grote niveauverschillen binnen één groep. Die groeiende diversiteit van leerlingen bracht een op diversificatie gericht pedagogisch programma met zich mee. Gedaan dus met lessen ex cathedra en passief luisterende leerlingen. Groepswerk, zelfstudie, graadsklassen en speciale begeleiding vertaalden zich naar een radicaal nieuw ruimtelijk programma. Of zo zou het althans moeten. Ook het principe van de Brede School – waarbij het gebouw na de schooluren open staat voor naschoolse activiteiten, buurtwerk en ouderverenigingen – zorgen ervoor dat de school, nog meer dan vroeger, een centrale plek inneemt in de wijk. De school wordt de katalysator van ontmoeting en uitwisseling tussen ouders, kinderen, leerkrachten en buren, kortom, het epicentrum van sociale cohesie.

In dit nummer onderzoeken we de typologische vernieuwingen die deze nieuwe generatie schoolgebouwen voortbrengt en de wisselwerking tussen pedagogisch programma, ruimtelijke context en architectuur. Of het nu gaat om iconische nieuwbouw, zoals Melopee van XDGA aan de Oude Dokken in Gent, broodnodige renovatie zoals het Lycée Royal van aa-ar in Luik, de intelligente inbreiding van Arc-en- ciel door Label architecture in Sint-Joost-ten-Node of het verrassend hergebruik van de school in Molenbeek door Vers.a: elk project zet het basisvocabularium van een school, zoals klassen, gangen en een speelplaats, in om een nieuwe typologie te ontwikkelen die de pedagogische, ruimtelijke en sociale context ondersteunt. Ze vormen inspirerende leeromgevingen die de leerlingen hopelijk inzichten zullen bieden, maar die in het kader van een PISA-rapport onmeetbaar zijn.

A+279 Schools
20 € |bestel nu uw exemplaar of abonneer u op het tijdschrift vanaf €49 / jaar!

schrijf je in voor de nieuwsbrief