Edito A+277

gepubliceerd op 29.04.2019 | tekst Lisa De Visscher

In Parijs stond ooit een gigantische bronzen olifant. Althans, dat was het plan. Architect Charles Ribart ontwierp in 1758 een monument ter ere van Napoleons overwinningen in de vorm van deze huizenhoge olifant, compleet met balzaal, een ventilatiesysteem en sanitair, waarbij de slurf diende als waterafvoerleiding. Het gebouw moest het orgelpunt worden van Parijs’ mooiste laan, de Champs-Elysées, en het monumentale karakter van de stad in de verf zetten. Het ontwerp werd echter niet weerhouden en de Franse regering koos voor een klassiek archetype: de triomfboog.

Charles Ribart, éléphant Champs-Elysées, Paris, 1758

 

Het beeld bleef echter nazinderen. Vijftig jaar later gaf Napoleon de opdracht aan architect Jean-Antoine Delavoine voor de bouw van een monument in de vorm van een 24 meter hoge olifant op de Place de la Bastille, op de plek van de beruchte gevangenis. Hier kwamen er trappen in de poten, een uitkijkpost op de rug en een fontein uit de slurf. In afwachting van het definitieve gebouw werd op de werf een maquette op ware grootte uit hout en gips opgesteld – een voorsmaakje van de impact en de grandeur van het bronzen monument. Zo ver kwam het echter nooit. Na politieke tegenslagen legde men het project stil en verkruimelde de gigantische gipsen olifant na enkele jaren tot een vergeten ruïne.

Het niet-gerealiseerde project van de olifant blijft echter tot de verbeelding spreken en wordt een symbool voor het ontwerp dat bij de architect een blijvend gevoel van verlies achterlaat – een ‘lost soul’. Elke wedstrijd brengt een hele reeks niet-weerhouden projecten voort, en elk om financiële of politieke redenen stopgezet project is pijnlijk. Toch zijn dit niet allemaal stuk voor stuk ‘lost souls’.

Het al dan niet winnen van een wedstrijd hangt af van vele criteria. Veel bureaus ontwikkelen daar een laconieke houding tegenover: you win some, you lose some. Maar sommige projecten blijven nazinderen en weigeren begraven te worden. De archieven van architecten en gemeentebesturen liggen vol plannen van niet-weerhouden of onuitgevoerde projecten die samen het beeld vormen van hoe een wijk, een stad er had kunnen uitzien. Sommige projecten hadden de stad ook wezenlijk kunnen veranderen. In dit nummer willen we deze projecten tonen. Omdat een niet-weerhouden wedstrijdontwerp niet altijd verloren is. Het is een vorm van ontwerpmatig onderzoek dat, soms duidelijk zichtbaar, een vruchtbare bodem vindt in een andere opdracht – zoals het ontwerp voor het Distrigas-kantoor van Viérin in Zeebrugge, dat een nieuw leven vond in het project voor Sea-Ro aan de overzijde van de havengeul. Of de cirkelvormige tuinen uit XDGA’s project voor Les Halles in Parijs, dat een inspiratiebron was voor de tuinen van de kustlijn voor de kustlijn van Vlora in Albanië.

“Wedstrijden zijn in toenemende mate een vliegwiel voor het uittesten van architecturale denkbeelden”, stelt Pieter T’Jonck verderop in dit nummer. “Daardoor kan het lijken alsof een bureau zichzelf over verschillende competities kopieert, terwijl het in werkelijkheid een idee scherpstelt.” Of zoals Maarten Van Den Driessche schrijft over Bovenbouw Architectuur: “Voor het bureau is elke wedstrijddeelname zowel een ontwikkelingskans als een waagstuk. De wedstrijd zelf een moment van zelfreflectie en toetsing.”  Kortom, een niet-weerhouden wedstrijdontwerp is, ten opzichte van de laureaat, een tegenargument in de steeds voortgaande discussie die architectuur heet. Deze discussie willen wij hier voeren.

A+277 Lost Souls
20 € | bestel nu uw exemplaar of abonneer u op het tijdschrift vanaf €49 / jaar!

schrijf je in voor de nieuwsbrief